Translation of "Gaan" in Polish

0.046 sec.

Examples of using "Gaan" in a sentence and their polish translations:

- Dingen gaan stuk.
- Dingen gaan kapot.

Rzeczy się niszczą.

- Ze gaan komen.
- Zij gaan komen.

Przyjdą.

- We gaan ervandoor.
- We gaan weg.

Chodźmy.

- Je mag gaan.
- U mag gaan.

Możesz iść.

We gaan.

Dobrze, chodźmy.

Blijf gaan.

Nie poddawaj się.

Ze gaan.

Oni idą.

Dus we gaan vechten? Daar gaan we.

Więc mamy walczyć? Dobrze.

- Wil je weg?
- Wil je gaan?
- Willen jullie gaan?
- Wilt u gaan?

- Chcesz iść?
- Czy chcesz pójść?
- Czy chcesz iść?

- Wil je niet gaan?
- Wilt u niet gaan?
- Willen jullie niet gaan?

- Czy nie chcesz iść?
- Nie chcesz iść?

- Waar gaan we naartoe?
- Naar waar gaan we?

Gdzie idziemy?

- Ik wil daarheen gaan.
- Ik wil daarnaartoe gaan.

Chcę tam iść.

- Ze is gaan shoppen.
- Ze is gaan winkelen.

Poszła po zakupy.

Daar gaan we.

Oto jest!

Laten we gaan.

Ruszajmy!

Of we gaan...

Albo w kierunku...

Kom, we gaan.

Ruszajmy!

Oké, we gaan.

Zejdźmy.

We gaan snel.

Jedziemy szybko!

We gaan verder.

Chodźmy dalej.

Je moet gaan.

Musisz iść.

Ik moest gaan.

Musiałem iść.

We moeten gaan.

Musimy iść.

Ik moet gaan.

Muszę iść.

Ik wil gaan.

Chcę iść.

Wie wil gaan?

Kto chce iść?

Zij gaan akkoord.

Zgadzają się.

Mag ik gaan?

Mogę iść?

We gaan eropuit.

Wychodzimy.

Ze mogen gaan.

Mogą iść.

Moet ik gaan?

Czy mam iść?

Blijf rechtdoor gaan.

Wciąż idź prosto.

Ik zal gaan.

Ja pójdę.

We gaan ervandoor.

Znikamy.

We zullen gaan.

Pójdziemy.

- Ik moet gaan winkelen.
- Ik moet boodschappen gaan doen.

Muszę iść po zakupy.

- Ik moet geld gaan halen.
- Ik moet geld gaan pinnen.

Muszę iść zabrać pieniądze.

- U mag nu gaan, meneer.
- U kunt nu gaan, meneer.

Może już pan iść, proszę pana.

- Kom, we zijn weg.
- We moeten gaan.
- Laten we gaan!

Chodźmy!

Oké, daar gaan we.

Dobrze, do dzieła.

...om achteruit te gaan.

było delikatne wycofanie.

Dus we gaan rennen?

Więc mam uciekać?

Oké, laten we gaan.

Okej, chodźmy.

Daar gaan we. Oké.

Dobrze, naprzód. W porządku.

Hij moet ervoor gaan.

Musi spróbować.

Ze kan beter gaan.

Lepiej ruszyć dalej.

Ze gaan gebouwen binnen...

Wchodzą do budynków.

Oké. Daar gaan we.

W porządku. Ruszamy.

Kom op, we gaan.

Chodźmy!

Laten we gaan kijken.

Chodźcie, zobaczymy!

We gaan in positie.

Okej, na miejsce!

Wat gaan we doen?

Więc co robimy?

We gaan naar binnen.

Wejdźmy.

Laten we verder gaan.

Idźmy dalej.

Dit gaat bliksemsnel gaan.

Nie zajmie mi to długo.

Ik moet nu gaan.

Muszę już iść.

Wat gaan we worden?

Co z nami będzie?

Het zal gaan stortregenen.

Będzie lało.

Laten we gaan eten.

Chodźmy zjeść.

Ze gaan u vermoorden!

Zabiją cię!

Vanavond gaan we dansen.

Idziemy tańczyć dzisiaj wieczorem.

Moet ik nu gaan?

Muszę teraz iść?