Translation of "Jullie" in German

0.014 sec.

Examples of using "Jullie" in a sentence and their german translations:

Jullie kennen jullie superkrachten.

Sie wissen, was Ihre Superkräfte sind.

- Spelen jullie voetbal?
- Voetballen jullie?

Spielt ihr Fußball?

Jullie zijn jullie paraplu's vergeten.

Ihr habt eure Regenschirme vergessen.

Weten jullie wel wat jullie vragen?

Weißt du, was du da fragst?

- Wisten jullie dit?
- Wisten jullie dat?

Wusstet ihr das?

- Wandelen jullie?
- Gaan jullie op trektocht?

Wandert ihr?

Jullie zijn verslagen. Geef jullie over!

Ihr seid besiegt. Ergebt euch!

Jullie spreken.

Sie sprechen.

Jullie neuriën.

- Ihr summt.
- Sie summen.
- Ihr summt gerade.

Jullie vastten.

Sie haben gefastet.

Jullie spuugden.

- Ihr habt gespuckt.
- Sie haben gespuckt.

Jullie stinken.

Ihr stinkt.

Jullie eten.

Ihr esst.

Jullie lezen.

Ihr lest.

Jullie liegen!

Ihr lügt.

Roken jullie?

Raucht ihr?

Gedraag jullie.

Benehmt euch.

Snappen jullie?

- Kapiert?
- Verstanden?

Jullie kopen.

Ihr kauft.

Jullie koken.

Ihr kocht.

Jullie moeten beter opletten wat jullie zeggen.

- Du solltest mehr darauf achten, was du sagst.
- Du solltest achtsamer sein, was du sagst.

Jullie hebben allemaal gedaan wat jullie konden.

Sie haben getan, was Sie konnten.

- Wat denken jullie?
- Wat is jullie mening?

Was denkt ihr?

- Waar wachten jullie op?
- Waarop wachten jullie?

Worauf wartet ihr?

- Zijn jullie gek?
- Zijn jullie gek geworden?

Spinnt ihr?

- Jullie zwemmen.
- Jullie zijn aan het zwemmen.

Ihr schwimmt.

Totdat jullie vrede sluiten met wie jullie zijn, zullen jullie niet tevreden zijn met wat jullie hebben.

Bevor ihr nicht Frieden schließt mit dem, was ihr seid, werdet ihr nie zufrieden sein mit dem, was ihr habt.

- Hebben jullie gezien hoe zij naar jullie heeft gekeken?
- Hebben jullie gezien hoe zij jullie heeft aangekeken?

Habt ihr gesehen, wie sie euch angeguckt hat?

- Waar gaan jullie naartoe?
- Waar gaan jullie heen?

- Wohin geht ihr?
- Wo geht ihr hin?

- Jullie kunnen me geloven.
- Jullie mogen me geloven.

Ihr könnt mir glauben.

Voor jullie zwoegt jullie vader de hele dag.

Für euch schuftet sich euer Vater den ganzen Tag ab.

- Jullie werken te veel!
- Jullie werken te veel.

Ihr arbeitet zu viel.

Als jullie maar proberen dan kunnen jullie het.

Ihr schafft das, wenn ihr es nur versucht!

- Hou jullie klaslokaal zuiver.
- Hou jullie klaslokaal schoon.

Haltet euer Klassenzimmer sauber.

- Zijn dat jullie paarden?
- Zijn dit jullie paarden?

Sind das eure Pferde?

- Waarom vechten jullie altijd?
- Waarom bekvechten jullie altijd?

Warum müsst ihr euch immer streiten?

Zoeken jullie iets specifieks? Kan ik jullie helpen?

Suchen Sie etwas Bestimmtes? Kann ich Ihnen helfen?

Dank jullie wel.

Danke.

Hebben jullie zussen?

- Haben Sie Schwestern?
- Habt ihr Schwestern?

Kijken jullie tv?

- Sehen Sie fern?
- Seht ihr fern?

Jullie zijn jochies.

Ihr seid kleine Jungs.

Jullie zijn dokters.

- Sie sind Ärzte.
- Ihr seid Ärzte.

Sluit jullie boeken.

Schließt eure Bücher!

Jullie zijn Zweeds.

Ihr seid Schweden.

Amuseren jullie je?

- Amüsiert ihr euch gut?
- Amüsierst du dich gut?
- Habt ihr Spaß?

Kent ze jullie?

- Kennt sie dich?
- Kennt sie euch?
- Kennt sie Sie?

Hebben jullie rijst?

- Haben Sie Reis?
- Habt ihr Reis?

Begrijpen jullie me?

- Verstehen Sie mich?
- Versteht ihr mich?

Hebben jullie kinderen?

Habt ihr Kinder?

Zijn jullie taoïsten?

Seid ihr Taoisten?

Jullie zijn gestoord!

Ihr seid verrückt!

Jullie zijn speciaal.

Ihr seid speziell.

Jullie zijn rijk.

Ihr seid reich.

Hebben jullie kwartjes?

Habt ihr Vierteldollarmünzen?

Ik begrijp jullie.

Ich verstehe dich.

Kennen jullie haar?

Kennt ihr sie?

Zitten jullie ondergedoken?

Haben Sie sich versteckt?

Spelen jullie gitaar?

- Spielst du Gitarre?
- Spielt ihr Gitarre?
- Spielen Sie Gitarre?

Ruiken jullie iets?

Riecht ihr was?

Jullie waren jaloers.

Ihr wart eifersüchtig.

Jullie zijn gestoord.

Ihr seid krank.

Wanneer ontbijten jullie?

Wann frühstückt ihr?

Beheers jullie zelf.

- Beherrscht euch.
- Beherrschen Sie sich.

Verveel ik jullie?

Langweile ich euch?

Hebben jullie dieren?

Habt ihr Tiere?

Jullie zijn ongelofelijk.

Ihr seid unglaublich.

Spreken jullie Engels?

Sprechen Sie Englisch?

Horen jullie dat?

- Hörst du das?
- Hört ihr das?
- Hören Sie das?

Zijn jullie Chinees?

Bist du Chinese?

Waar waren jullie?

- Wo wart ihr?
- Wo seid ihr gewesen?

Komen jullie niet?

Kommt ihr da nicht mit?

Jullie zijn sterk.

Ihr seid stark.

Huilen jullie nu?

Leute, weint ihr etwa?

Wat koken jullie?

Was kocht ihr?

Zijn jullie gelukkig?

- Bist du glücklich?
- Seid ihr glücklich?

Wat willen jullie?

Was wollt ihr?

Willen jullie dansen?

Möchten Sie tanzen?

Waar wonen jullie?

Wo wohnt ihr?

Jullie zijn mooi.

Ihr seid schön.

Goed voor jullie.

Schön für euch.

Jullie geven les.

- Sie unterrichten.
- Ihr unterrichtet.

Jullie hebben gewonnen.

Du hast gewonnen.

Waar zijn jullie?

- Wo seid ihr?
- Wo sind Sie?

Kennen jullie hem?

Kennen Sie ihn?

Wat denken jullie?

Was haltet ihr da davon?