Translation of "Kan" in Spanish

0.011 sec.

Examples of using "Kan" in a sentence and their spanish translations:

- Kan zij fietsen?
- Kan ze fietsen?

¿Ella sabe andar en bicicleta?

- Ze kan schaatsen.
- Ze kan skaten.

- Ella sabe patinar.
- Ella puede patinar.

- Ik kan lopen.
- Ik kan rennen.

Puedo correr.

- Dat kan niet!
- Dat kan niet.

Eso es imposible.

Kan ik?

- ¿Me permite?
- ¿Me permites?
- ¿Puedo?

- Ja dat kan ik.
- Ja, ik kan.

Sí, puedo.

- Kan iemand even helpen?
- Kan iemand helpen?

¿Alguien puede ayudar?

- Ik kan het niet.
- Ik kan niet.

No puedo.

- Roken kan dodelijk zijn.
- Roken kan doden.

Fumar puede matar.

- Ik kan niet komen.
- Ik kan niet.

No puedo.

- Ik kan uitleggen.
- Ik kan het uitleggen.

Yo puedo explicar.

- Ik kan het.
- Ik kan dit doen.

Yo puedo hacer esto.

- Ik kan het niet.
- Ik kan niet.
- Ik kan het niet doen.

- No puedo hacerlo.
- Yo no lo puedo hacer.
- No soy capaz de hacerlo.

- Ik kan je helpen.
- Ik kan jullie helpen.
- Ik kan u helpen.

Puedo ayudarte.

- Niemand kan je helpen.
- Niemand kan u helpen.
- Niemand kan jullie helpen.

- Nadie puede ayudarte.
- Nadie te puede ayudar.

- Kan ik u helpen?
- Kan ik je helpen?
- Kan ik jullie helpen?

- ¿Puedo ayudarle?
- ¿Puedo ayudarte?
- ¿Puedo ayudar?
- ¿Te puedo ayudar?
- ¿Puedo ayudarle en algo?
- ¿Puedo ayudaros en algo?

- Ik kan je beschermen.
- Ik kan u beschermen.
- Ik kan jullie beschermen.

Puedo protegerte.

- Dat kan niet waar zijn.
- Dit kan onmogelijk waar zijn.
- Dit kan niet kloppen.
- Dat kan niet kloppen.

- No puede ser cierto.
- No puede ser verdad.
- Eso no puede ser verdad.

- Dat kan niet waar zijn.
- Dit kan niet kloppen.
- Dat kan niet kloppen.
- Dit kan niet juist zijn.

Eso no puede ser verdad.

- Hij kan niet zwemmen.
- Ze kan niet zwemmen.

No sabe nadar.

- Hij kan snel zwemmen.
- Ze kan snel zwemmen.

Él puede nadar rápido.

- Ze kan Japans spreken.
- Hij kan Japans spreken.

- Él sabe hablar japonés.
- Él es capaz de hablar japonés.

- Het kan gevaarlijk zijn.
- Dat kan gevaarlijk zijn.

- Puede ser peligroso.
- Eso puede ser peligroso.

- Niets kan ons tegenhouden.
- Niets kan ons stoppen.

- Nada nos puede detener.
- Nada puede detenernos.

- Ik kan niets zien.
- Ik kan niet zien.

¡No puedo ver!

- Het avondeten kan wachten.
- Het diner kan wachten.

La cena puede esperar.

- Dat kan niet.
- Dat kan niet zo zijn.

Eso no puede ser.

- Hij kan het doen.
- Zij kan het doen.

Puede hacerlo.

- Dit kan niet waar zijn.
- Dat kan niet kloppen.
- Dat kan niet juist zijn.
- Dat kan niet correct zijn.

- Esto no puede ser cierto.
- Esto no puede ser verdad.
- Eso no puede ser correcto.

Hoe kan dat?

¿Cómo es posible?

Kan je pianospelen?

¿Sabes tocar el piano?

Bob kan koken.

Bob sabe cocinar.

Mary kan zwemmen.

Mary sabe nadar.

Kan je komen?

¿Puedes venir?

Hij kan zwemmen.

Él sabe nadar.

Ik kan paardrijden.

- Puedo cabalgar.
- Puedo montar un caballo.

Ik kan springen.

Puedo saltar.

Kan ik helpen?

¿Puedo ayudar?

Ik kan lopen.

Puedo correr.

Madonna kan zingen.

Madonna puede cantar.

Hij kan lezen.

Él sabe leer.

Dat kan niet.

¡Esto es imposible!

Kan noten bevatten.

- Puede contener tuercas.
- Puede contener nueces.
- Puede contener restos de frutos secos.

Ik kan zwemmen.

Sé nadar.

Ik kan niet.

No puedo.

Ik kan rennen.

- Puedo correr.
- Sé correr.

Tom kan zwemmen.

Tom puede nadar.

Kan zij fietsen?

¿Ella sabe andar en bicicleta?

Tom kan autorijden.

Tom es capaz de conducir un auto.

Kan ik eten?

¿Puedo comer?

Kan het wachten?

- ¿Puede esperar esto?
- ¿Esto puede esperar?
- ¿Puede esperar?

Ik kan autorijden.

Soy capaz de conducir un coche.

Ik kan skiën.

Sé esquiar.

Dat kan niet!

¡Esto no puede ser!

Kan ze fietsen?

¿Sabe montar en bicicleta?

Hij kan autorijden.

Él sabe conducir un coche.

Ik kan lezen.

Sé leer.

Hij kan zingen.

- Él puede cantar.
- Puede cantar.

Kan ik binnenkomen?

- ¿Puedo entrar?
- ¿Puedo pasar?

Ik kan liefhebben.

Puedo amar.

Ik kan tennissen.

Sé jugar al tenis.

Kan je naaien?

¿Sabes coser?

Ik kan gaan.

Puedo ir.

Tom kan voetballen.

- Tom sabe jugar al fútbol.
- Tom puede jugar al fútbol.