Translation of "Het" in German

0.046 sec.

Examples of using "Het" in a sentence and their german translations:

- Neem het.
- Grijp het!
- Pak het!
- Neem het!

Nimm es!

- Het regent pijpenstelen.
- Het regent dat het giet.
- Het hoost.
- Het giet.
- Het regent keihard.
- Het regent enorm.

- Es regnet heftig.
- Es regnet wie aus Eimern.
- Es gießt.
- Es schüttet.
- Es regnet in Strömen.
- Der Regen gießt in Strömen.
- Der Regen fällt in Strömen.
- Es gießt wie aus Kübeln.

- Het gaat zoals het gaat.
- Het komt zoals het komt.

Es kommt, wie es kommen muss.

- Het meisje zag het ook.
- Ook het meisje zag het.

Auch das Mädchen sah es.

- Het regende.
- Het was aan het regenen.

Es regnete.

- Het regent.
- Het is aan het regenen.

- Es regnet.
- Es regnet gerade.

- Het sneeuwt.
- Het is aan het sneeuwen.

Es schneit.

Aan het eind was het het waard.

Letzten Endes hat es sich gelohnt.

- Sneeuwt het?
- Is het aan het sneeuwen?

Schneit es?

Het vrouwtje begrijpt het.

Das Weibchen hat verstanden.

Het is het aardbeienseizoen.

Es ist grad Erdbeersaison.

- Bestudeer het.
- Onderzoek het.

Untersuchen Sie es.

- Probeer het!
- Probeer het.

Versuch’s!

Het internet zegt het.

Das Internet sagt es.

- Het kietelt.
- Het kriebelt.

Es kitzelt.

- Het eet.
- Het vreet.

Es frisst.

- Het had gesneeuwd.
- Het heeft gesneeuwd.
- Het was aan het sneeuwen.

- Es schneite.
- Es hat geschneit.

- Het is weer aan het regenen.
- Het regent weer.
- Het is weer aan het regenen!

Es regnet wieder.

- Laat het achter.
- Laat het liggen.
- Laat het!

Lass das!

- Het regent pijpenstelen.
- Het regent dat het giet.

Es regnet wie aus Eimern.

- Het komt voor.
- Het gebeurt wel.
- Het gebeurt.

Das passiert!

- Het schip vaarde door het Suezkanaal.
- Het schip voer door het Suezkanaal.

Das Schiff durchquerte den Suezkanal.

- Het is weer aan het regenen.
- Het is weer aan het regenen!

Es regnet wieder.

- Het sneeuwt alweer.
- Het sneeuwt weer.
- Het is weer aan het sneeuwen.

Es schneit schon wieder.

- Het regent pijpenstelen.
- Het regent dat het giet.
- Het regent heel hard.

Es regnet in Strömen.

- Het is bitter koud.
- Het is ijskoud.
- Het is steenkoud.
- Het vriest.

Es frostet.

Bestaat het in het groen?

Gibt es ein Grünes?

Het was op het nippertje.

Es war sehr knapp.

Het meisje brak het venster.

Das Mädchen hat das Fenster zerbrochen.

- Sluit het.
- Doe het dicht.

Drehe es zu.

Zeg het in het Engels.

- Sag es auf Englisch.
- Sag das auf Englisch.

Het was aan het sneeuwen.

- Es schneite.
- Es hat geschneit.

- Het stinkt.
- Het ruikt slecht.

- Es riecht übel.
- Es hat einen üblen Geruch.

Het hoort bij het werk.

Das gehört zur Arbeit dazu.

Het dienstmeisje bewaakt het bed.

Das Dienstmädchen hütet das Bett.

Het meisje zag het ook.

- Das Mädchen sah es auch.
- Das Mädchen sah sie auch.
- Das Mädchen sah ihn auch.

- Vergeet het niet.
- Onthou het.

Merk es dir.

Het is zoals het is.

- Es ist, was es ist.
- Es ist wie es ist.

- Regent het?
- Regent het nu?

Regnet es gerade?

Het kwam op het nieuws.

Es kam in den Nachrichten.

Zeg het in het Frans.

Sag es auf Französisch.

Het maakt al het verschil.

Das macht den ganzen Unterschied aus.

Zeg het in het Russisch!

Sag es auf Russisch!

Zeg het in het Hongaars!

Sag es auf Ungarisch!

Zeg het in het Grieks!

Sag es auf Griechisch!

Het is het nieuwste snufje.

Es ist der letzte Schrei.

- Schrijf het op!
- Noteer het!

Schreib’s auf!

- Bewijs het.
- Bewijs het maar.

Beweise es.

- Het begint.
- Het is begonnen.

Es beginnt.

- Het rinkelde.
- Het heeft gerinkeld.

- Es klingelte.
- Es schellte.

- Trek het open.
- Open het!

- Zieh es auf.
- Öffne es!

Het is aan het regenen.

Es regnet gerade.

Het regent niet. Het sneeuwt.

Es regnet nicht, es schneit.

- Schrijf het op.
- Noteer het.

Gib mir das schriftlich.

Het eerste: het haalt je eindelijk naar het heden.

Das eine: Es holt dich endlich in die Gegenwart.

- Het was heel dichtbij.
- Het was op het nippertje.

Es war sehr knapp.

- Het regent weer!
- Het is weer aan het regenen!

Es regnet wieder!

In het begin was het woord, het eerste neologisme.

Im Anfang war das Wort, der erste Neologismus.

- Het ijs is aan het smelten.
- Het ijs smelt.

- Das Eis schmilzt.
- Das Eis taut ab.

- Het is betreurenswaardig.
- Het is spijtig.
- Het is jammer.

Das ist bedauerlich.

- Het sneeuwt weer.
- Het is weer aan het sneeuwen.

Es schneit wieder.

- Oh, het sneeuwt!
- Oh, het is aan het sneeuwen!

Oh, es schneit!

- Het water vloeit.
- Het water is aan het vloeien.

- Das Wasser fließt.
- Das Wasser floss.

Wat wordt het morgen? Het begin of het einde?

Was wird morgen sein? Der Anfang oder das Ende?

- Het is weer aan het regenen.
- Het regent weer.

Es regnet wieder.

- Het is makkelijk.
- Het is eenvoudig.
- Het is simpel.

Es ist einfach.

- Het is heel mooi.
- Het is fantastisch.
- Het is schitterend.
- Het is prachtig.

Es ist wunderschön.

- Leg het boek terug waar het lag.
- Leg het boek terug waar het stond.
- Leg het boek terug waar het was.

- Stell das Buch dahin zurück, wo es war!
- Stellen Sie das Buch dahin zurück, wo es war!

- Het regent dat het giet.
- Het hoost.
- De regen valt met bakken naar beneden.
- Het regent keihard.
- Het is hard aan het regenen.
- Het regent enorm.

- Es regnet heftig.
- Es regnet wie aus Eimern.
- Es schüttet.

- Misschien gaat het sneeuwen.
- Het is mogelijk dat het gaat sneeuwen.
- Misschien zal het sneeuwen.
- Misschien sneeuwt het.

Vielleicht schneit es.