Translation of "Het" in Portuguese

0.098 sec.

Examples of using "Het" in a sentence and their portuguese translations:

- Neem het.
- Grijp het!
- Pak het!
- Neem het!

Pegue-o!

- Het regent pijpenstelen.
- Het regent dat het giet.
- Het hoost.
- Het giet.
- Het regent keihard.
- Het regent enorm.

Chove a cântaros.

- Het regent.
- Het is aan het regenen.

Está chovendo.

- Het regende.
- Het was aan het regenen.

Estava chovendo.

- Het sneeuwt.
- Het is aan het sneeuwen.

Está nevando.

Het vrouwtje begrijpt het.

A fêmea percebe a sua intenção.

- Bestudeer het.
- Onderzoek het.

Examine isso.

- Probeer het!
- Probeer het.

- Tenta-o.
- Prove-o.
- Prove-a.

- Het had gesneeuwd.
- Het heeft gesneeuwd.
- Het was aan het sneeuwen.

- Nevava.
- Nevou.
- Estava nevando.
- Tinha nevado.

- Het is weer aan het regenen.
- Het regent weer.
- Het is weer aan het regenen!

Está chovendo de novo.

- Laat het liggen.
- Geef het op!
- Laat het.

Desista.

- Het regent pijpenstelen.
- Het regent dat het giet.

- Está chovendo a cântaros.
- Tá caindo um toró.

- Het komt voor.
- Het gebeurt wel.
- Het gebeurt.

- Acontece.
- Isso acontece.

Doe het zoals het je het beste lijkt.

Faça do jeito que você achar melhor.

- Het schip vaarde door het Suezkanaal.
- Het schip voer door het Suezkanaal.

O barco atravessou o Canal de Suez.

- Herstel het alsjeblieft.
- Herstel het alstublieft.
- Regel het alsjeblieft.
- Regel het alstublieft.

- Por favor, repare isto.
- Por favor, conserte isto.
- Por favor, arrume isto.

- Het is vuilnis.
- Het is rotzooi.
- Het is afval.
- Het is rommel.

É lixo.

- Het is weer aan het regenen.
- Het is weer aan het regenen!

Está chovendo novamente.

Het is wat het is.

É o que é.

Het meisje brak het venster.

A menina quebrou a janela.

- Sluit het!
- Sluit het af!

- Feche!
- Fecha!

Het was aan het sneeuwen.

- Nevava.
- Nevou.
- Estava nevando.

- Was het nuttig?
- Hielp het?

Isso foi de alguma ajuda?

Het meisje zag het ook.

A rapariga também o viu.

- Vergeet het niet.
- Onthou het.

Lembre disso.

Het is zoals het is.

É o que é.

- Regent het?
- Regent het nu?

Está chovendo?

Het een verklaart het ander.

Um explica o outro.

Zeg het in het Frans.

Diga isso em francês.

Zeg het in het Russisch!

Diga isso em Russo.

Zeg het in het Engels.

Fale isso em inglês.

Het is het nieuwe model.

Este é o novo modelo.

- Zeg het!
- Zeg het maar!

Diga!

Het regent niet. Het sneeuwt.

Não está chovendo, está nevando.

- Je verdient het.
- U verdient het.
- Jullie verdienen het.

Você merece.

- Het ijs is aan het smelten.
- Het ijs smelt.

O gelo está derretendo.

- Het sneeuwt weer.
- Het is weer aan het sneeuwen.

Está nevando de novo.

- Oh, het sneeuwt!
- Oh, het is aan het sneeuwen!

Oh, está nevando!

- Het water vloeit.
- Het water is aan het vloeien.

Um rio flui.

- Het regent weer!
- Het is weer aan het regenen!

Está chovendo de novo!

Wat wordt het morgen? Het begin of het einde?

O que será do amanhã? O princípio ou o fim?

- Het is makkelijk.
- Het is eenvoudig.
- Het is simpel.

- É fácil.
- É simples.

- Misschien gaat het sneeuwen.
- Het is mogelijk dat het gaat sneeuwen.
- Misschien zal het sneeuwen.
- Misschien sneeuwt het.

Se calhar neva.

- Hij vertaalde het vers in het Engels.
- Hij vertaalde het couplet in het Engels.

Ele traduziu o verso para o inglês.

- Het is van het huis.
- Deze is van het huis.

É por conta da casa.

Het was makkelijker dan het op het eerste gezicht leek.

Foi mais fácil do que parecia à primeira vista.

- Het is het proberen waard.
- Het is een poging waard.

Vale a pena tentar.

- Het zit op slot.
- Het is afgesloten.
- Het is vergrendeld.

Está trancado.

- Het is geweldig.
- Het is te gek.
- Het is super.

É demais!

- Zeg het in het Hongaars!
- Zeg dat in het Hongaars.

Diga isso em Húngaro.

- Het is bitter koud.
- Het is ijskoud.
- Het is steenkoud.

Está muito frio.

- Het spookt in dat huis.
- Het spookt in het huis.

- A casa é mal-assombrada.
- A casa está assombrada.

Zij vertaalde het boek vanuit het Japans naar het Engels.

Ela traduziu o livro do japonês para o inglês.

- Het is gloednieuw.
- Het is splinternieuw.
- Het is volledig nieuw.

- É bem novo.
- É nova em folha.
- É novinho em folha.
- É novinha em folha.
- Está novinho em folha.
- Está novinha em folha.

Tom vertaalde het boek van het Frans naar het Engels.

Tom traduziu o livro do francês ao inglês.

Jij hebt het voor het zeggen.

A decisão é sua.

- Nu sneeuwt het.
- Het sneeuwt nu.

Está nevando agora.

- Regel het alsjeblieft.
- Regel het alstublieft.

- Por favor, conserte-o.
- Por favor, arrume-o.

- Corrigeer het alsjeblieft.
- Corrigeer het alstublieft.

Por favor, corrija-o.

- Het regent daar.
- Het regent hier.

Aí chove.

- Het is laagwater.
- Het is eb.

O mar está baixo.

- Het is eten.
- Het is voedsel.

É comida.

- Het is geweldig.
- Het is prachtig.

Maravilhoso!

- Om het even.
- Het zal wel.

Que seja.

- Verlaat het schip!
- Verlaat het schip.

Abandonar o navio!

Het is niet het liegende type.

Ela não é das que mentem.

- Het is verouderd.
- Het is achterhaald.

Está obsoleto.

- Het is klaar!
- Het is gedaan!

- Pronto, já está!
- Está pronto!

Het was leuk zolang het duurde.

Foi divertido enquanto durou.

- Geef het op!
- Geef het op.

Desista.

- Het is heerlijk.
- Het is lekker.

Está delicioso.

Het vuur verwoestte het hoge gebouw.

O fogo destruiu a construção alta.

Het woordenboek ligt op het bureau.

- Tem um dicionário em cima da mesa.
- Há um dicionário sobre a mesa.
- O dicionário está em cima da mesa.
- O dicionário está na mesa.
- O dicionário está sobre a mesa.

- Het is ongelofelijk.
- Het is ongelooflijk.

É inacreditável.

- Het is lente.
- Het is voorjaar.

É primavera.

- Het ijs smelt.
- Het ijsje smelt.

O sorvete está derretendo.

- Het lijkt makkelijk.
- Het lijkt eenvoudig.

Parece fácil.

- Ik begrijp het.
- Ik snap het.

Eu entendo.

Het is onder het bed verstopt.

- Está escondido debaixo da cama.
- Está escondida debaixo da cama.

- Maakt het uit?
- Doet het ertoe?

Isso importa?

- Het zijn idioten.
- Het zijn dwazen.

- São idiotas.
- São tolos.

Het meisje is aan het huilen.

A menina está chorando.

- Het is enorm.
- Het is gigantisch.

É enorme.

- Het is zelfgemaakt.
- Het is huisgemaakt.

É caseiro.

Het is tijd voor het avondeten!

É hora de jantar!

- Het is ongepast.
- Het is ongeschikt.

É inapropriado.

- Is het lekker?
- Is het goed?

- É bom?
- Isso é bom?

Uit het oog, uit het hart.

Longe dos olhos — longe do coração.

Plooi het blad in het midden.

Dobre a folha na metade.