Translation of "Het" in French

0.028 sec.

Examples of using "Het" in a sentence and their french translations:

- Neem het.
- Grijp het!
- Pak het!
- Neem het!

Prends-le !

- Het regent pijpenstelen.
- Het regent dat het giet.
- Het hoost.
- Het giet.
- Het regent keihard.
- Het regent enorm.

- Il pleut des cordes.
- Il pleut à verse.
- Il pleut comme vache qui pisse.
- Il tombe des cordes.
- Il pleut des clous.
- Il pleut à seaux.
- Il pleut fort.
- Il pleut dru.

- Het meisje zag het ook.
- Ook het meisje zag het.

La fille l'a également vu.

- Het regende.
- Het was aan het regenen.

Il pleuvait.

- Het regent.
- Het is aan het regenen.

Il pleut.

- Het sneeuwt.
- Het is aan het sneeuwen.

Il neige.

- Sneeuwt het?
- Is het aan het sneeuwen?

Est-ce qu'il neige ?

Het vrouwtje begrijpt het.

La femelle a reçu le message.

- Het trilt.
- Het vibreert.

Ça vibre.

- Het hoost.
- Het giet.

Il pleut dru.

- Probeer het!
- Probeer het.

- Essaie.
- Essayez.
- Essaye.

- Het kietelt.
- Het kriebelt.

J'aimerai chatouiller.

- Grijp het!
- Pak het!

- Prends-le !
- Attrapez-le !

Het internet zegt het.

C'est ce que dit Internet.

- Het vuurt.
- Het brandt.

- Il tire.
- Il fait feu.

- Het had gesneeuwd.
- Het heeft gesneeuwd.
- Het was aan het sneeuwen.

Il a neigé.

- Het is weer aan het regenen.
- Het regent weer.
- Het is weer aan het regenen!

- Il pleut encore.
- Il pleut à nouveau.

Doe het zoals het je het beste lijkt.

Fais au mieux.

- Laat het achter.
- Laat het liggen.
- Laat het!

- Laissez ça.
- Laisse ça.

- Het regent pijpenstelen.
- Het regent dat het giet.

- Il pleut des cordes.
- Il pleut des cordes dehors.
- Il pleut des trombes.
- Il tombe des trombes d'eau.

- Het komt voor.
- Het gebeurt wel.
- Het gebeurt.

- Ça arrive.
- Ça se produit.
- Ça peut arriver parfois.

- Het schip vaarde door het Suezkanaal.
- Het schip voer door het Suezkanaal.

Le bateau traversa le canal de Suez.

- Herstel het alsjeblieft.
- Herstel het alstublieft.
- Regel het alsjeblieft.
- Regel het alstublieft.

Veuillez réparer ceci.

- Het gaat goed.
- Het loopt goed.
- Het rijdt goed.
- Het rijdt lekker.

Ça roule bien.

- Het is vuilnis.
- Het is rotzooi.
- Het is afval.
- Het is rommel.

- Ce sont des conneries.
- C'est de la daube.
- Ce sont des détritus.

- Verander het doel.
- Verander het doelwit.
- Wijzig het doel.
- Wijzig het doelwit.

Changez la cible.

- Het is weer aan het regenen.
- Het is weer aan het regenen!

Il pleut à nouveau.

- Het sneeuwt alweer.
- Het sneeuwt weer.
- Het is weer aan het sneeuwen.

Il neige à nouveau.

- Het is bitter koud.
- Het is ijskoud.
- Het is steenkoud.
- Het vriest.

Il gèle.

Ontwikkelde het Westen het krachtig,

l'Occident a puissamment élevé le raisonnement

Het is wat het is.

C'est ainsi.

Is het het waardeloze eten?

Est-ce dû à la nourriture médiocre ?

Is het het dure parkeren?

Au stationnement coûteux ?

Bestaat het in het groen?

Y en a-t-il un vert ?

Het was op het nippertje.

- C'était très chaud.
- C'était très serré.

Het meisje brak het venster.

La fille a brisé la fenêtre.

- Sluit het.
- Doe het dicht.

Ferme-le.

Het was aan het sneeuwen.

- Il neigeait.
- Il a neigé.

Het is het proberen waard.

Ça vaut le coup d'être essayé.

- Het stinkt.
- Het ruikt slecht.

- Ça sent mauvais.
- Ça pue.

Het hoort bij het werk.

Cela fait partie du travail.

Het dienstmeisje bewaakt het bed.

La bonne garde le lit.

- Was het nuttig?
- Hielp het?

Était-ce utile ?

Het meisje zag het ook.

La fille l'a vu aussi.

- Vergeet het niet.
- Onthou het.

- Souviens-en-toi.
- Souvenez-vous-en.
- Mémorise ceci.

Het is slechts het begin.

Ce n'est que le début.

Zeg het in het Engels.

Dis-le en anglais.

- Regent het?
- Regent het nu?

Pleut-il maintenant ?

Het regent dat het giet.

- Il pleut fort.
- Il pleut fortement.
- Il pleut dru.

Zeg het in het Frans.

- Dis-le en français.
- Dites-le en français.

Het maakt al het verschil.

Cela fait toute la différence.

Zeg het in het Russisch!

Dis-le en russe !

Zeg het in het Grieks!

Dis-le en grec !

Zeg het in het Hongaars!

Dis-le en hongrois !

Het is het nieuwste snufje.

- C'est le dernier cri.
- C'est la folie.

- Schrijf het op!
- Noteer het!

- Écris-le !
- Note-le !

Het is het nieuwe model.

C'est le nouveau modèle.

- Bewijs het.
- Bewijs het maar.

Prouve-le.

- Het rinkelde.
- Het heeft gerinkeld.

Ça a sonné.

- Trek het open.
- Open het!

Ouvrez-le.

Het regent niet. Het sneeuwt.

Il ne pleut pas, il neige.

- Schrijf het op.
- Noteer het.

Écris-le.

- Het was heel dichtbij.
- Het was op het nippertje.

C'était moins une.

- Je verdient het.
- U verdient het.
- Jullie verdienen het.

- Tu le mérites.
- Vous le méritez.

In het begin was het woord, het eerste neologisme.

Au début était le mot, le premier néologisme.

- Het ijs is aan het smelten.
- Het ijs smelt.

- La glace fond.
- La glace est en train de fondre.

- Het is intact.
- Het is onbeschadigd.
- Het is onaangetast.

C'est intact.

- Het is betreurenswaardig.
- Het is spijtig.
- Het is jammer.

C'est regrettable.

- Het sneeuwt weer.
- Het is weer aan het sneeuwen.

Il neige à nouveau.

- Oh, het sneeuwt!
- Oh, het is aan het sneeuwen!

Oh, il neige !

- Het regent weer!
- Het is weer aan het regenen!

Il pleut de nouveau !

Wat wordt het morgen? Het begin of het einde?

Qu'est-ce que sera demain ? Le début ou la fin ?

- Het zal werken.
- Het lukt wel.
- Het zal functioneren.

- Ça fonctionnera.
- Ça marchera.

- Het is weer aan het regenen.
- Het regent weer.

- Il pleut de nouveau !
- Il pleut encore !