Translation of "Zij" in Spanish

0.053 sec.

Examples of using "Zij" in a sentence and their spanish translations:

- Zij zijn dokters.
- Zij zijn artsen.

Ellos son doctores.

- Zij is onhandig.
- Zij is onbeholpen.

Ella es torpe.

- Zij zijn zangers.
- Zij zijn zangeressen.

Son cantantes.

- Begrijpt zij Italiaans?
- Verstaat zij Italiaans?

¿Ella entiende italiano?

- Zij leek gelukkig.
- Zij leek blij.

Parecía feliz.

Bestaat zij?

¿Ella existe?

Zij rent.

Ella corre.

Zij wonnen.

Ellos ganaron.

Zij sliep.

Ella durmió.

Zij opende.

Ella abrió.

Zij zoenden.

Se besaron.

Zij doucht.

Ella se ducha.

Zij wacht.

Está esperando.

Zij bad.

- Oraba.
- Ella oraba.
- Oró.
- Ella oró.
- Rezaba.
- Ella rezaba.
- Rezó.
- Ella rezó.

Zij drinkt.

Ella bebe.

- Zij is onze docent.
- Zij is onze lerares.
- Zij is onze juf.
- Zij is onze leraar.

Ella es nuestra profesora.

- Zij hielpen Tom.
- Zij hebben Tom geholpen.

- Ellos ayudaron a Tom.
- Ellas ayudaron a Tom.

- Zij is zangeres.
- Zij is een zanger.

Ella es cantante.

- Zij hielpen ons.
- Zij hebben ons geholpen.

Nos ayudaron.

- Zij waren aan het eten.
- Zij aten.

Comían.

- Zij kocht brood.
- Zij heeft brood gekocht.

Compró pan.

- Zij hielpen hem.
- Zij hebben hem geholpen.

- Lo ayudaron.
- Ellos lo ayudaron.
- Ellas lo ayudaron.

- Zij hielpen haar.
- Zij hebben haar geholpen.

- La ayudaron.
- Ellos la ayudaron.
- Ellas la ayudaron.

- Zij blikken vis in.
- Zij kunnen vissen.

- Pueden pescar.
- Saben pescar.
- Enlatan pescado.
- Ellos saben pescar.

- Is zij uw moeder?
- Is zij jouw moeder?
- Is zij jullie moeder?

- ¿Ella es tu madre?
- ¿Esa es tu madre?

- Zij is erg talentvol.
- Zij is heel bekwaam.

Es muy talentosa.

- Zij heeft je nodig.
- Zij heeft u nodig.

Ella te necesita.

- Zij scheert het schaap.
- Zij scheert de schapen.

Ella está esquilando una oveja.

- Ze omhelsden.
- Zij omhelsden.
- Ze omarmden.
- Zij omarmden.

Se abrazaron mutuamente.

- Zij is mijn zuster.
- Zij is mijn zus.

- Ella es mi hermana mayor.
- Ella es mi hermana.

Waar is zij? Zij is in de keuken.

¿Ella dónde está? Ella está en la cocina.

Zij zijn christenen.

Ellos son cristianos.

Zij zijn gelukkig.

Ellos están felices.

Zij spreekt Russisch.

Ella habla ruso.

Zij verkoopt bloemen.

Ella vende flores.

Zij zijn onafscheidelijk.

- Ellos son inseparables.
- Ellas son inseparables.

Zij zijn acteurs.

- Son actores.
- Ellos son actores.

Zij sprak veel.

Ella habló mucho.

Zij kent Japans.

Ella sabe hablar japonés.

Zij wilden bescherming.

Querían protección.

Het zij zo.

Así sea.

Zij werd rood.

Ella se sonrojó.

Zij leek opgewonden.

Ella parecía emocionada.

Zij huilde bitterlijk.

Ella lloraba amargamente.

Zij hielp hem.

Ella le ayudó.

Zij verbrandt snel.

Su piel se quema con facilidad.

Zij is gelukkig.

Ella es feliz.

Zij keken tv.

Estaban viendo la televisión.

Zij geven niets.

No dan nada.

Zij verraadde u.

- Ella les traicionó.
- Ella os traicionó.
- Ella te traicionó.

Zij is Japanse.

Ella es japonesa.

Zij is mooi.

- Ella es guapa.
- Ella es preciosa.

Zij zijn zangeressen.

Son cantantes.

Zij schrijft novelles.

Ella escribe novelas.

Zij rookt niet.

No fuma.

Zij zijn zangers.

Son cantantes.

Zij plukte bloemen.

Ella recogió flores.

Zij is biseksueel.

Ella es bisexual.

Zij is atheïst.

Ella es atea.

Zijn zij Amerikaans?

- ¿Son americanos?
- ¿Son estadounidenses?

Is zij getrouwd?

¿Está casada?

Zij studeert wiskunde.

Ella estudia matemáticas.

Zij is zangeres.

Ella es cantante.

Komen zij ook?

¿Ellos también vienen?

Kan zij fietsen?

¿Ella sabe andar en bicicleta?

Zij zijn binnen.

Están dentro.

Zij zijn Russisch.

Ellos son rusos.

Zij spreken Spaans.

Ellas hablan español.

Zij speelt piano.

Ella toca el piano.

Zij wil dansen.

- Ella quiere bailar.
- Ella tiene ganas de bailar.