Translation of "Het" in Spanish

0.034 sec.

Examples of using "Het" in a sentence and their spanish translations:

- Neem het.
- Grijp het!
- Pak het!
- Neem het!

¡Cógelo!

- Het regent pijpenstelen.
- Het regent dat het giet.
- Het hoost.
- Het giet.
- Het regent keihard.
- Het regent enorm.

- Está lloviendo a cántaros.
- Llueve a cántaros.
- Llueve a mares.

- Het regende.
- Het was aan het regenen.

Llovió.

- Het regent.
- Het is aan het regenen.

- Llueve.
- Está lloviendo.

- Het sneeuwt.
- Het is aan het sneeuwen.

Está nevando.

Het vrouwtje begrijpt het.

La hembra recibe el mensaje.

- Bestudeer het.
- Onderzoek het.

Examínalo.

- Probeer het!
- Probeer het.

Pruébalo.

- Het trilt.
- Het vibreert.

Está vibrando.

- Het vuurt.
- Het brandt.

Dispara.

- Het had gesneeuwd.
- Het heeft gesneeuwd.
- Het was aan het sneeuwen.

- Estaba nevando.
- Nevó.

- Het is weer aan het regenen.
- Het regent weer.
- Het is weer aan het regenen!

- Vuelve a llover.
- Está lloviendo otra vez.

- Het regent pijpenstelen.
- Het regent dat het giet.

- Está lloviendo a cántaros.
- Está diluviando.
- Está jarreando.

- Het komt voor.
- Het gebeurt wel.
- Het gebeurt.

Eso pasa.

- Het kookt!
- Het is kokend!
- Het is bloedheet!

¡Está hirviendo!

Doe het zoals het je het beste lijkt.

Hazlo de la manera que te parezca mejor.

- Het is aan het gebeuren.
- Het vindt plaats.

Está ocurriendo.

- Het schip vaarde door het Suezkanaal.
- Het schip voer door het Suezkanaal.

El barco atravesó el canal de Suez.

- Herstel het alsjeblieft.
- Herstel het alstublieft.
- Regel het alsjeblieft.
- Regel het alstublieft.

Por favor, repara esto.

- Het is weer aan het regenen.
- Het is weer aan het regenen!

Está lloviendo otra vez.

- Het regent pijpenstelen.
- Het regent dat het giet.
- Het regent heel hard.

Está lloviendo mucho.

Ontwikkelde het Westen het krachtig,

Occidente lo desarrolló de manera poderosa

Het is wat het is.

Es lo que es.

Is het het waardeloze eten?

¿Es acaso la pésima comida?

Is het het dure parkeren?

¿Lo caro del estacionamiento?

Het was op het nippertje.

Estuvo muy cerca.

- Regent het?
- Is het regenachtig?

¿Está lluvioso?

Het meisje brak het venster.

La chica rompió la ventana.

- Sluit het!
- Sluit het af!

¡Cierra!

Zeg het in het Engels.

Dilo en inglés.

Het was aan het sneeuwen.

- Estaba nevando.
- Nevó.
- Nevaba.

- Het stinkt.
- Het ruikt slecht.

Huele mal.

Het hoort bij het werk.

Es parte del trabajo.

- Vergeet het niet.
- Onthou het.

Recuérdalo.

Het is zoals het is.

Es lo que es.

Het is slechts het begin.

Sólo es el principio.

- Regent het?
- Regent het nu?

- ¿Ahora está lloviendo?
- ¿Está lloviendo ahora?

Het regent dat het giet.

Llueve mucho.

Zeg het in het Frans.

Dilo en francés.

- Schrijf het op!
- Noteer het!

¡Anótalo!

- Het begint.
- Het is begonnen.

Ha empezado.

- Het rinkelde.
- Het heeft gerinkeld.

Sonó.

- Zeg het!
- Zeg het maar!

- ¡Dilo!
- ¡Dígalo!

- Het brak.
- Het is gebroken.

Se quebró.

Het regent niet. Het sneeuwt.

No está lloviendo. Está nevando.

- Het was heel dichtbij.
- Het was op het nippertje.

Estuvo muy cerca.

- Je verdient het.
- U verdient het.
- Jullie verdienen het.

Te lo mereces.

- Het ijs is aan het smelten.
- Het ijs smelt.

- El hielo se está derritiendo.
- El hielo se derrite.

- Het is intact.
- Het is onbeschadigd.
- Het is onaangetast.

Está intacto.

- Het sneeuwt weer.
- Het is weer aan het sneeuwen.

Vuelve a nevar.

- Het regent weer!
- Het is weer aan het regenen!

- ¡Está lloviendo otra vez!
- Está lloviendo otra vez.

Wat wordt het morgen? Het begin of het einde?

¿Qué será de mañana? ¿El principio o el fin?

- Het is zakelijk.
- Het zijn zaken.
- Het zijn bedrijven.

Son negocios.

- Het is makkelijk.
- Het is eenvoudig.
- Het is simpel.

- Es fácil.
- Es simple.

- Het is heel mooi.
- Het is fantastisch.
- Het is schitterend.
- Het is prachtig.

- Es genial.
- Esto es maravilloso.
- Es maravilloso.

- Leg het boek terug waar het lag.
- Leg het boek terug waar het stond.
- Leg het boek terug waar het was.

- Vuelve a poner el libro en su sitio.
- Pon el libro donde estaba.

- Het regent dat het giet.
- Het hoost.
- De regen valt met bakken naar beneden.
- Het regent keihard.
- Het is hard aan het regenen.
- Het regent enorm.

Llueve mucho.

- Misschien gaat het sneeuwen.
- Het is mogelijk dat het gaat sneeuwen.
- Misschien zal het sneeuwen.
- Misschien sneeuwt het.

- Quizá nieve.
- Puede que nieve.

- Het was aangenaam leven in het huis.
- Het was aangenaam wonen in het huis.

Era agradable vivir en la casa.

- Ze verdienden het.
- Zij verdienden het.
- Ze hebben het verdiend.
- Zij hebben het verdiend.

Se lo merecían.

- Het werkte.
- We hebben het gedaan.
- Ik heb het gehaald.
- Ik heb het gedaan.

- Lo conseguí.
- Por fin.

Hier is het tijdelijke het nieuwe permanente aan het worden.

Aquí, lo temporario se está transformando en lo nuevo permanente.

- Het is gloednieuw.
- Het is splinternieuw.
- Het is volledig nieuw.

Es completamente nuevo.

- Het is van het huis.
- Deze is van het huis.

- Esta va por la casa.
- Invita la casa.
- La casa invita.

Het was makkelijker dan het op het eerste gezicht leek.

Fue más fácil de lo que parecía a primera vista.

- Het is bitter koud.
- Het is ijskoud.
- Het is steenkoud.

- Hace un frío que pela.
- Hace un frío glacial.

- Het is het proberen waard.
- Het is een poging waard.

- Vale la pena intentarlo.
- Merece la pena intentarlo.

- Het schip vaart naar het noorden.
- Het schip vaart noordwaarts.

El barco viaja hacia el norte.

Zij vertaalde het boek vanuit het Japans naar het Engels.

Ella tradujo el libro del japonés al inglés.

- Het spookt in dat huis.
- Het spookt in het huis.

- La casa está encantada.
- La casa está embrujada.

Hoe ver is het van het vliegveld naar het hotel?

- ¿Qué tan lejos queda el hotel del aeropuerto?
- ¿Cuánta es la distancia desde el aeropuerto hasta el hotel?