Translation of "Had" in German

0.029 sec.

Examples of using "Had" in a sentence and their german translations:

- Hij had koppijn.
- Hij had hoofdpijn.

- Er hatte Kopfweh.
- Er hatte Kopfschmerzen.

- Tom had ongelijk.
- Tom had het mis.

- Tom war falsch.
- Tom hatte Unrecht.

Hij had iets dat ik niet had: geloof.

- Er hatte etwas, das ich nicht hatte - Vertrauen.
- Er hat etwas, was ich nicht habe - Vertrauen.

- Waarschijnlijk had Tom gelijk.
- Tom had waarschijnlijk gelijk.

Tom hatte wahrscheinlich recht.

- Hij had één dochter.
- Hij had een dochter.

Er hatte eine Tochter.

- Ik had erge trek.
- Ik had veel honger.

- Ich hatte viel Hunger.
- Ich war sehr hungrig.

Zelf had bedacht.

selbst entwickelt hatte.

Ik had geluk.

- Ich hatte Glück.
- Ich habe Schwein gehabt.

Tom had geluk.

Tom hatte Glück.

Wat had je?

Was hattest du?

Ik had kraamvloed.

Ich hatte Wochenfluss.

Hij had dorst.

Er hatte Durst.

Maria had plezier.

Maria hatte Spaß.

Tom had blindedarmontsteking.

Tom hatte eine Blinddarmentzündung.

Hij had ambitie.

- Er war ehrgeizig.
- Er war strebsam.

Het had gesneeuwd.

Es hatte geschneit.

Ik had dorst.

Ich hatte Durst.

Tom had gelijk.

Tom hatte Recht.

Tom had dorst.

Tom war durstig.

Zij had gelijk.

Sie hatte Recht.

Maria had gelijk.

Maria hatte Recht.

Ik had gelijk.

Ich hatte Recht.

Ik had hulp.

Ich hatte Hilfe.

Je had gelijk.

Du hattest recht.

Hij had ontbijt.

Er hat gefrühstückt.

Tom had ontbijt.

- Tom hat gefrühstückt.
- Tom frühstückte.

Zij had ontbijt.

Sie hat gefrühstückt.

Maria had ontbijt.

Maria hat gefrühstückt.

Ik had ongelijk.

Ich hatte unrecht.

Ik had honger.

- Ich war hungrig.
- Ich hatte Hunger.

Hij had buikpijn.

Er hatte Bauchweh.

Ze had buikpijn.

Sie hatte Bauchweh.

Gandhi had gelijk.

Gandhi hatte Recht.

Had ik ongelijk?

Lag ich damit falsch?

Ik had panne.

Ich hatte eine Panne.

Ze had geen idee waar ik het over had.

Sie hatte keine Ahnung, wovon ich sprach.

Tom had geen idee waar ik het over had.

Tom hatte keine Ahnung, wovon ich sprach.

- Tom had een woedeaanval.
- Tom had een woede-uitbarsting.

Tom tobte.

- Ik had helemaal hetzelfde gevoel.
- Ik had precies hetzelfde gevoel.
- Ik had exact hetzelfde gevoel.

Ich hatte genau das gleiche Gefühl.

- Je had het kunnen doen.
- U had het kunnen doen.
- Jullie had het kunnen doen.

Du könntest es getan haben.

- Zij had haar mond moeten houden.
- Zij had beter gezwegen.
- Zij had haar kop moeten houden.

Sie hätte den Mund halten sollen!

Ik had lang hard gewerkt en ik had mezelf uitgeput.

Ich hatte lange Zeit hart gearbeitet und war erschöpft.

Hij had haar gezien. Ik had hem zo vaak meegenomen.

Er hatte ihn gesehen. Ich hatte ihn oft mitgenommen.

- Ik had geen geschenk verwacht.
- Ik had geen cadeau verwacht.

Ich hatte kein Geschenk erwartet.

- Maar hij had werk nodig.
- Maar hij had een job nodig.
- Maar hij had een baan nodig.

Aber er brauchte Arbeit.

Je had het enkel hoeven vragen en ik had je zoveel geld geleend als je nodig had.

Du hättest mich nur fragen müssen; dann hätte ich dir das Geld geliehen, das du brauchtest.

Voor wat je had.

Nach dem, was man hatte.

Hij had tientallen boeken.

Er hat dutzende Bücher.

Hij had lang haar.

Er hatte lange Haare.

Hij had vijftig dollar.

- Er hatte 50 Dollar.
- Er hatte fünfzig Dollar.

Hij had drie zoons.

Er hatte drei Söhne.

Ik had erge trek.

Ich hatte großen Appetit.

Tom had het koud.

Dem Thomas war es kalt.

Zijn moeder had gelijk.

- Seine Mutter hatte Recht.
- Seine Mutter hatte recht.

Tom had geen geld.

Tom hatte kein Geld.

Hij had een ongeluk.

Er hatte einen Unfall.

Tom had geen kinderen.

Tom hatte keine Kinder.

Hij had één dochter.

Er hatte eine Tochter.

Ik had het koud.

Mir war kalt.

Ze had gitzwarte ogen.

Sie hatte kohlpechrabenschwarze Augen.

Ik had een idee.

Ich hatte eine Idee.

Hij had grijs haar.

Er hatte graues Haar.

Gisteren had ik tandpijn.

Gestern hatte ich Zahnschmerzen.

Oostenrijk had ook bondgenoten.

Österreich hatte ebenfalls Verbündete.

Tom had hulp nodig.

Tom brauchte Unterstützung.