Translation of "Weg" in Spanish

0.028 sec.

Examples of using "Weg" in a sentence and their spanish translations:

Weg!

¡Fuera!

- Scheer je weg!
- Weg!
- Wegwezen!

Aléjate.

- Scheer je weg!
- Ga weg!
- Weg!
- Wegwezen!
- Weg van hier!
- Maak dat je wegkomt!

- ¡Fuera!
- ¡Largo!
- ¡A la calle!

- Alsjeblieft, ga weg!
- Ga alsjeblieft weg!

¡Por favor, vete!

- Ga niet weg.
- Ga niet weg!

¡No te vayas!

- Ze zijn weg.
- Zij zijn weg.

Se fueron.

- Hij rende weg.
- Hij liep weg.

Huía.

- Gooi het gewoon weg.
- Gooi het maar weg.
- Gooi maar weg.
- Gooi hem maar weg.

Simplemente tíralo.

- We dommelen weg.
- We doezelen weg.
- We dommelen in.
- Wij dommelen weg.
- Wij doezelen weg.
- Wij dommelen in.
- We zakken weg.
- Wij zakken weg.

Nos estamos quedando dormidos.

Ga weg.

¡Vete!

Weg hier!

- ¡Salí de acá rápidamente!
- ¡Rápido, sal de aquí!

Ga weg!

- ¡Vete de aquí!
- ¡Vete!
- ¡Lárguense!

Kijk weg.

- Mirá para otro lado.
- Mira para otro lado.
- Mire para otro lado.
- Miren para otro lado.

- Rot op!
- Scheer je weg!
- Ga weg!
- Hoepel op!
- Weg!
- Wegwezen!
- Weg van hier!
- Maak dat je wegkomt!
- Ga toch weg!

- ¡Fuera!
- ¡Vete de aquí!
- ¡Fuera de aquí!
- ¡Andate!

- Ga weg!
- Ga!
- Wegwezen.
- Go!
- Loop weg!

¡Vete de aquí!

- Ga weg!
- Wegwezen!
- Ga!
- Vooruit!
- Ga weg.
- Opzij.
- Opschuiven.
- Go!
- Loop weg!
- Voorwaarts!

¡Muévete!

- Scheer je weg!
- Ga weg!
- Weg!
- Wegwezen!
- Weg van hier!
- Maak dat je wegkomt!
- Opzij.
- Opschuiven.
- Loop weg!
- Maak dat jullie wegkomen.
- Maak dat u wegkomt!
- Ga weg hier.

- ¡Fuera!
- ¡Vete de aquí!
- ¡Lárgate!
- ¡Largo!
- ¡Vete ya!

- Scheer je weg!
- Hoepel op!
- Ga toch weg!

- ¡Fuera!
- ¡Piérdete!
- ¡Vete de aquí!
- ¡Lárgate!
- ¡Largo!
- ¡Vete ya!

- Weg met het geweer.
- Doe het pistool weg.

- Deshazte del arma.
- Deshágase del arma.

- De hond ging weg.
- De hond liep weg.

- El perro se alejó.
- El perro huyó.

- De jongen liep weg.
- De jongen rende weg.

- El chico huyó.
- El muchacho escapó.

Ze is weg.

Y ella escapó por atrás.

Wil je weg?

¿Quieres ir?

Ze was weg.

Ella estaba lejos.

Is ze weg?

¿Ella se ha ido?

- Wegwezen.
- Ga weg.

- Apártate.
- Retrocede.

- Ga weg!
- Wegwezen!

- ¡Largaos!
- ¡Lárguense!

Zijn we weg?

¿Nos vamos?

Ze gingen weg.

- Se fueron.
- Se marcharon.
- Se iban.

Tom is weg.

Tom se ha ido.

Ga weg, Tom.

- Vete, Tom.
- Lárgate, Tom.

Ga nu weg!

- Ahora márchate.
- Ahora vete.
- Ahora lárgate.

Hij rende weg.

Corrió.

Ze ging weg.

Ella se marchó.

Ze rende weg.

Ella corrió.

Ga weg, alstublieft.

Por favor, márchese.

Hij keek weg.

Él miró hacia otro lado.

Iedereen moet weg!

¡Que se vayan todos!

Ga niet weg.

- No te vayas.
- No te marches.

Ben je weg?

¿Tú irás?

"Er is de harde weg en de zachte weg.

"Tienes el camino fácil y el camino difícil.

- Blijf weg.
- Blijf uit de buurt.
- Blijf hier weg.

- Fuera de aquí.
- Fuera.
- Aléjate.

- Ben je weg?
- Ga je weg?
- Ga je door?

¿Tú irás?

- Rot op!
- Scheer je weg!
- Ga weg!
- Hoepel op!

- ¡Vete de aquí!
- ¡Salga de aquí!
- ¡Vete!
- ¡Largo!

- Rot op!
- Scheer je weg!
- Ga weg!
- Hoepel op!
- Weg!
- Wegwezen!
- Weg van hier!
- Ga!
- Rot op.
- Lopen!
- Maak dat je wegkomt!
- Donder op.
- Vooruit.
- Loop weg!

¡A caminar!

- Ga alsjeblieft.
- Ga alstublieft.
- Ga alsjeblieft weg.
- Ga alstublieft weg.

- Por favor, ve.
- Por favor, vete.
- Por favor, márchate.
- Por favor, váyase.

- Zuid-Afrika is ver weg.
- Zuidelijk Afrika is ver weg.

Sudáfrica está lejos.

- Toon ons de rechte weg.
- Toon ons de kortste weg.

Enséñanos el camino correcto.

- Rot op!
- Scheer je weg!
- Ga weg!
- Hoepel op!
- Weg!
- Onder mijn ogen uit!
- Rot toch op!
- Wegwezen!
- Weg van hier!
- Verdwijn!
- Rot op.
- Donder op.
- Ga toch weg!

- ¡Que te jodan!
- ¡Vete a tomar por culo!
- ¡Vete a la mierda!

- Scheer je weg!
- Ga weg!
- Hoepel op!
- Weg!
- Buiten!
- Onder mijn ogen uit!
- Wegwezen!
- Weg van hier!
- Verdwijn!
- Lazer op!
- Maak dat je wegkomt!
- Eruit!
- Donder op.
- Kom eruit.
- Weg met jou!
- Scheer je weg.
- Maak dat u wegkomt!
- Ga weg hier.

- ¡Fuera!
- Bájate.

Alsjeblieft, ga niet weg.

Por favor, no se vayan.

We kunnen hier weg.

Nos vamos de aquí.

Je ziet een weg.

¡Miren, una ruta!

Hij was al weg.

- Él ya había ido.
- Él ya se había ido.

Hij ging onmiddellijk weg.

Se fue inmediatamente.

En weg is het.

Se fue.

- Ga weg!
- Verdwijn!
- Wegwezen.

- ¡Pírate!
- ¡Lárgate!

Breng Tom hier weg.

Saca a Tom de aquí.

Ik ben al weg.

Me marcho ya.

Ben je al weg?

¿Ya se van?

De hond ging weg.

El perro huyó.

Zet uw fiets weg.

- Guarde su bicicleta.
- Quita tu bicicleta.

Doe je kleren weg.

Guarda tu ropa.

De bestanden zijn weg.

Los archivos están perdidos.

Moet hij meteen weg?

¿Tiene que irse ahora mismo?

Ik ga nu weg.

- Voy saliendo.
- Ya me voy.

- Ren!
- Weglopen!
- Ren weg!

¡Corre!

Gooi het gewoon weg.

Simplemente tíralo.

Ik ga op weg.

Voy en camino.

De jongen liep weg.

- El chico huyó.
- El muchacho escapó.

De weg is lang.

El camino es largo.

Ik moet echt weg.

Realmente tengo que irme.

Geërgerd beende hij weg.

Enojado, él se alejó rápidamente.

Laat onnodige woorden weg!

¡Omite las palabras innecesarias!

Tom is ver weg.

Tom está lejos.

Is Boston ver weg?

¿Está muy lejos Boston?

Ze ging vroeg weg.

Ella se fue temprano.

Kom, we zijn weg.

Vámonos.

Is hij al weg?

¿Ya se ha ido?

Pijn, pijn, ga weg.

Dolor, dolor, vete de aquí.