Translation of "Zijn" in Spanish

0.031 sec.

Examples of using "Zijn" in a sentence and their spanish translations:

Wij zijn zijn zonen.

Nosotros somos sus hijos.

Programmeertalen zijn zijn hobby.

Los lenguajes de programación son su pasatiempo.

Zijn schoenen zijn bruin.

Sus zapatos son marrones.

Zijn voorspellingen zijn uitgekomen.

Sus predicciones se han cumplido.

Zijn ogen zijn rood.

Tiene los ojos rojos.

Zijn ogen zijn blauw.

Sus ojos son azules.

Zijn sokken zijn grijs.

Sus calcetines son grises.

Zijn benen zijn lang.

Sus piernas son largas.

Zijn dagen zijn geteld.

Sus días están contados.

Zijn sokken zijn paars.

Sus calcetines son morados.

We zijn zijn kinderen.

Somos sus hijos.

- Haar ogen zijn blauw.
- Zijn ogen zijn blauw.

Sus ojos son azules.

- Het zijn zusters.
- Het zijn zussen.
- Ze zijn zusters.
- Zij zijn zusters.

Son hermanas.

- Ze zijn onvolwassen.
- Ze zijn immatuur.
- Zij zijn onvolwassen.
- Zij zijn immatuur.

Son inmaduros.

Zijn antennes zijn zo gevoelig...

Sus antenas son tan sensibles

Zijn beide grootvaders zijn dood.

Sus dos abuelos están muertos.

Zijn beide broers zijn leraren.

Sus dos hermanos son profesores.

Zijn ogen verraden zijn schrik.

Sus ojos revelaban su miedo.

Zijn beide grootouders zijn dood.

Sus dos abuelos están muertos.

Zijn beide ouders zijn dood.

- Sus padres están muertos.
- Sus padres han muerto.

Kan zijn verhaal waar zijn?

¿Podrá ser cierta su historia?

Zijn kinderen zijn groot geworden.

Sus hijos se han hecho mayores.

- Het zijn spionnen.
- Ze zijn spionnen.
- Zij zijn spionnen.

- Ellos son espías.
- Son espías.

- Het zijn vrienden.
- Ze zijn vrienden.
- Ze zijn bevriend.

Son amigos.

- Zowel zijn vader als moeder zijn gestorven.
- Zijn vader en moeder zijn beiden dood.

Tanto su padre como su madre están muertos.

- Zijn ogen zijn groter dan zijn maag.
- Je ogen zijn groter dan je maag.

- Te entra más por los ojos que por la boca.
- Te entra más por la vista que por el gusto.

- Lammetjes zijn baby schapen.
- Lammeren zijn babyschapen.
- Lammetjes zijn babyschapen.

Los corderos son bebés oveja.

Dat moet zijn grootste zorg zijn.

Que yo calculo que debe ser la principal ocupación que tiene.

- Zij zijn dokters.
- Zij zijn artsen.

Ellos son doctores.

Zijn vader schijnt advokaat te zijn.

Parece que su padre es abogado.

- Ze zijn vegetariërs.
- Zij zijn vegetariërs.

Ellos son vegetarianos.

- We zijn mannen.
- Wij zijn mannen.

Somos hombres.

- We zijn beschikbaar!
- We zijn vrij!

¡Somos libres!

- Waar zijn we?
- Waar zijn wij?

- ¿Dónde estamos?
- ¿Dónde nos encontramos?

- Ze zijn binnen.
- Zij zijn binnen.

Están dentro.

Zijn toestand had erger kunnen zijn.

Su condición podría haber sido peor.

- Ze zijn verwant.
- Ze zijn bloedverwanten.

Son parientes.

- Dat zijn cadeaus.
- Dat zijn geschenken.

- Estos son regalos.
- Esos son regalos.

We zijn zeker van zijn succes.

Estamos seguros de su triunfo.

- Zij zijn zangers.
- Zij zijn zangeressen.

Son cantantes.

- Ze zijn schattig.
- Ze zijn knap.

- Son lindos.
- Ellas son lindas.

- We zijn omsingeld.
- We zijn omringd.

Estamos rodeados.

- Nachtmerries zijn angstaanjagend.
- Nachtmerries zijn eng.

Las pesadillas dan miedo.

- Ze zijn weg.
- Zij zijn weg.

Se fueron.

- Ze zijn klaar.
- Zij zijn klaar.

Están listos.

- Ze zijn vertrokken.
- Zij zijn vertrokken.

- Se han ido.
- Han salido.

- Ze zijn kwaadaardig.
- Zij zijn kwaadaardig.

Son malvados.

- Ze zijn vroeg.
- Zij zijn vroeg.

Vienen temprano.

- Ze zijn anders.
- Zij zijn anders.

Son diferentes.

- Ze zijn aardig.
- Zij zijn aardig.

- Son simpáticos.
- Están bien.
- Son bonitos.

- Ze zijn nieuw.
- Zij zijn nieuw.

- Son nuevos.
- Están nuevas.

- Ze zijn geweldig.
- Zij zijn geweldig.

- Son enormes.
- Son inmensas.

- Ze zijn nutteloos.
- Zij zijn nutteloos.

Son inútiles.

- We zijn weerloos.
- Wij zijn weerloos.

- Estamos indefensos.
- Estamos desvalidos.

- We zijn wanhopig.
- Wij zijn wanhopig.

Estamos desesperados.

- Wij zijn vriendinnen.
- Wij zijn vrienden.

- Somos amigos.
- Somos amigas.

- We zijn journalisten.
- Wij zijn journalisten.

Somos periodistas.

- Ze zijn duur.
- Die zijn duur.

Son caros.

- Wij zijn rijk.
- We zijn rijk.

- Somos ricos.
- Somos ricas.

- We zijn avontuurlijk.
- Wij zijn avontuurlijk.

Somos aventureros.

- Ze zijn bang.
- Zij zijn bang.

Tienen miedo.

- Ze zijn onbetrouwbaar.
- Zij zijn onbetrouwbaar.

Ellos son de poca confianza.

- Ze zijn kinderen.
- Zij zijn kinderen.

Son niños.