Translation of "Kan" in Portuguese

0.008 sec.

Examples of using "Kan" in a sentence and their portuguese translations:

- Kan zij fietsen?
- Kan ze fietsen?

Ela sabe andar de bicicleta?

- Ze kan schaatsen.
- Ze kan skaten.

Ela sabe andar de skate.

- Ik kan lopen.
- Ik kan rennen.

- Eu consigo correr.
- Eu posso correr.

Ik kan.

Eu posso.

Kan ik?

Posso?

- Ja dat kan ik.
- Ja, ik kan.

Sim, posso.

- Kan iemand even helpen?
- Kan iemand helpen?

Alguém pode ajudar?

- Ik kan niet komen.
- Ik kan niet.

- Não posso.
- Eu não posso.

- Ik kan het niet.
- Ik kan niet.

- Não posso.
- Eu não posso.

- Ik kan het.
- Ik kan dit doen.

- Eu posso fazê-lo.
- Eu consigo fazer isto.

- Ik kan niet!
- Ik kan het niet!

Não consigo!

- Ik kan het niet.
- Ik kan niet.
- Ik kan het niet doen.

Não posso fazer isso.

- Ik kan je helpen.
- Ik kan jullie helpen.
- Ik kan u helpen.

Eu posso te ajudar.

- Niemand kan je helpen.
- Niemand kan u helpen.
- Niemand kan jullie helpen.

Ninguém pode te ajudar.

- Kan ik u helpen?
- Kan ik je helpen?
- Kan ik jullie helpen?

- Posso lhe ajudar?
- Posso te ajudar de alguma forma?
- Posso te ajudar?
- Posso ajudá-lo?
- Posso ajudá-la?

- Dat kan niet waar zijn.
- Dit kan onmogelijk waar zijn.
- Dit kan niet kloppen.
- Dat kan niet kloppen.

Isso não pode ser verdade.

- Hij kan niet zwemmen.
- Ze kan niet zwemmen.

Ela não sabe nadar.

- Hij kan snel zwemmen.
- Ze kan snel zwemmen.

- Ele sabe nadar rápido.
- Ele consegue nadar rápido.

- Ze kan Japans spreken.
- Hij kan Japans spreken.

- Ele sabe japonês.
- Ele sabe falar japonês.

- Mijn grootmoeder kan vliegen.
- Mijn oma kan vliegen.

- Minha avó sabe voar.
- Minha avó pode voar.

- Niets kan ons tegenhouden.
- Niets kan ons stoppen.

Nada nos pode deter.

- Het avondeten kan wachten.
- Het diner kan wachten.

O jantar pode esperar.

- Dat kan niet.
- Dat kan niet zo zijn.

Não pode ser.

- Dit kan niet waar zijn.
- Dat kan niet kloppen.
- Dat kan niet juist zijn.
- Dat kan niet correct zijn.

Isso não pode ser verdade.

Kan je pianospelen?

Você sabe tocar piano?

Bob kan koken.

Bob sabe cozinhar.

Mary kan zwemmen.

Mary sabe nadar.

Kan je komen?

- Você pode vir?
- Vocês podem vir?

Hij kan zwemmen.

Ele sabe nadar.

Ik kan springen.

- Eu posso pular.
- Eu posso saltar.

Madonna kan zingen.

Madonna sabe cantar.

Kan ik helpen?

Posso ajudar?

Dat kan niet.

Isso é impossível!

Kan noten bevatten.

Pode conter nozes.

Ik kan zwemmen.

Eu posso nadar.

Ik kan paardrijden.

Eu sei montar a cavalo.

Ik kan niet.

- Não posso.
- Eu não posso.

Ik kan rennen.

- Eu posso correr.
- Eu sei correr.

Kan zij fietsen?

Ela sabe andar de bicicleta?

Kan ik eten?

Posso comer?

Ik kan autorijden.

- Eu consigo dirigir um carro.
- Eu posso dirigir um carro.

Ik kan skiën.

Eu sei esquiar.

Hoe kan dat?

Mas como?

Tom kan zwemmen.

Tom sabe nadar.

Hij kan autorijden.

Ele sabe como dirigir um carro.

Ik kan lezen.

Eu sei ler.

Hij kan zingen.

Ele pode cantar.

Hij kan lezen.

- Ele sabe ler.
- Ele consegue ler.

Ik kan liefhebben.

Posso amar.

Ik kan tennissen.

Eu sei jogar tênis.

Ik kan vliegen.

Eu sei voar.

Dat kan wachten.

Isso pode esperar.

Ik kan wachten.

Eu posso esperar.

Ik kan gaan.

- Eu posso ir.
- Eu consigo ir.

Tom kan voetballen.

Tom sabe jogar futebol.

Ik kan blijven.

Posso descansar.

Kan Tom koken?

O Tom sabe cozinhar?

Tom kan spreken.

Tom sabe falar.

Kan ik beginnen?

Posso começar?

Ik kan koken.

Eu posso cozinhar.

Ik kan dansen.

Eu sei dançar.

Ik kan zingen.

Eu sei cantar.

Het kan, toch?

É possível, não é?

Tom kan autorijden.

Tom sabe dirigir um carro.

Dat kan niet!

Isso não é possível!

Ik kan lopen.

- Eu consigo correr.
- Eu posso correr.

Evenmin kan ik.

Nem eu.

Ik kan het.

Posso fazê-lo.

Hij kan rijden.

Ele sabe dirigir.