Translation of "Uit" in Portuguese

0.021 sec.

Examples of using "Uit" in a sentence and their portuguese translations:

- De groeten uit Frankrijk!
- Groetjes uit Frankrijk!
- Groeten uit Frankrijk!

Saudações da França!

Uit het oog, uit het hart.

Longe dos olhos — longe do coração.

Leg uit.

- Explique-se.
- Se explique.

Hemd uit!

Tire a sua camisa.

- Kleed je uit.
- Trek je kleren uit.

- Tire a roupa.
- Tirem a roupa.

- Kijk uit!
- Let op!
- Attentie!
- Kijk uit.

- Preste atenção!
- Atenção!
- Cuidado!

- Maakt niet uit.
- Het maakt niets uit.

Não importa.

- Kom je uit Australië?
- Komt u uit Australië?
- Komen jullie uit Australië?

- Você é da Austrália?
- Vocês são da Austrália?

- Jij komt uit Zweden.
- U komt uit Zweden.
- Jullie komen uit Zweden.

Você veio da Suécia.

...oorspronkelijk uit Baskenland. Mijn moeder kwam uit Colonia...

originalmente do País Basco. A minha mãe era de Colónia,

- Hij komt uit Georgia.
- Hij komt uit Georgië.

Ele é da Geórgia.

- Hij kwam uit Boston.
- Ik kom uit Boston.

- Eu sou de Boston.
- Sou de Boston.

- Ik kom uit Georgië.
- Ik kom uit Georgia.

Eu sou da Geórgia.

- Ik kom uit China.
- Ik kwam uit China.

Eu vim da China.

- Verdwijn uit mijn bed.
- Verdwijn uit m'n bed.

- Sai da minha cama.
- Saia da minha cama.
- Saiam da minha cama.

- Ga uit het water.
- Kom uit het water.

- Saia da água.
- Saiam da água.

- Ik ben uit Duitsland.
- Ik kom uit Duitsland.

- Eu sou da Alemanha.
- Sou da Alemanha.

- We zijn uit Duitsland.
- Wij komen uit Duitsland.

- Nós somos da Alemanha.
- Somos da Alemanha.

- Zet de tv uit.
- Doe de tv uit.

- Desligue a TV.
- Desliga a TV.
- Desliga a televisão!

- Doe uw schoenen uit.
- Doe je schoenen uit.

- Tire os seus sapatos.
- Tira os sapatos.
- Tire os sapatos.

- Schakel het licht uit.
- Doe het licht uit.

- Desligue a luz.
- Desliga a luz.

- Zet de stofzuiger uit!
- Doe de stofzuiger uit!

Desliga o aspirador!

Dromen komen uit.

Os sonhos se tornam realidade.

Tom ademde uit.

Tom exalou.

Ze gingen uit.

Eles saíram.

Tom gleed uit.

Tom escorregou.

Je ging uit.

Você estava saindo.

Hij ging uit.

Ele estava saindo.

Tom ging uit.

Tom estava saindo.

Ze ging uit.

Ela estava saindo.

Groeten uit Brazilië!

Saudações do Brasil!

Ze gleed uit.

Ela escorregou.

Ik rustte uit.

Eu descansei.

- Je ziet er jonger uit.
- Jij ziet er jonger uit.
- U ziet er jonger uit.
- Jullie zien er jonger uit.

Você parece mais jovem.

- Ik kom uit Shizuoka.
- Ik kom uit Shizuoka vandaan.

- Sou de Shizuoka.
- Venho de Shizuoka.

Kies gewoon drie boeken uit, maakt niet uit welke.

Não importa quais, apenas pegue três livros.

- Ik kom uit Colombia.
- Ik kom uit Colombia vandaan.

- Eu sou da Colômbia.
- Sou da Colômbia.

Marina komt uit Rusland en Clarissa komt uit Zweden.

Marina é da Rússia e a Clarissa é da Suécia.

- Je ziet er prachtig uit.
- U ziet er prachtig uit.
- Jullie zien er prachtig uit.

- Você está bonita.
- Você está linda.

- Je ziet er Europees uit.
- U ziet er Europees uit.
- Jullie zien er Europees uit.

Você parece europeu.

- Je ziet er prima uit.
- U ziet er prima uit.
- Jullie zien er prima uit.

Você está apresentável.

- Tom trok zijn shirt uit.
- Tom trok zijn hemd uit.
- Tom trok zijn overhemd uit.

Tom tirou a camisa.

- Je ziet er dwaas uit.
- U ziet er dwaas uit.
- Jullie zien er dwaas uit.

Você parece um tonto.

- Waarom kleed je je uit?
- Waarom kleed u zich uit?
- Waarom kleden jullie je uit?

- Por que você está tirando a roupa?
- Por que você está se despindo?

- Je komt uit Boston, nietwaar?
- U komt uit Boston, nietwaar?
- Jullie komen uit Boston, nietwaar?

- Você é de Boston, não é?
- Vocês são de Boston, não são?
- Você é de Boston, né?

- Uit welk land kom je?
- Uit welk land komt u?
- Uit welk land komen jullie?

De que país você vem?

- Je ziet er ziek uit.
- U ziet er ziek uit.
- Jullie zien er ziek uit.

- Você parece doente.
- Você me parece doente.

- Kom je niet uit Australië?
- Komt u niet uit Australië?
- Komen jullie niet uit Australië?

Você não é da Austrália?

- Je ziet er moe uit.
- U ziet er moe uit.

Você parece estar cansado.

- Hoe spreek je "pronounce" uit?
- Hoe spreekt men "pronounce" uit?

Como se pronuncia "pronounce"?

- Het ziet er vreemd uit.
- Het ziet er raar uit.

- Parece raro.
- Parece estranho.

- Zet de radio uit, alsjeblieft.
- Schakel alstublieft de radio uit.

- Por favor, desligue o rádio.
- Por favor, desliga o rádio.

- Kijk uit!
- Voorzichtig!
- Let op!
- Opgepast!
- Pas op!
- Kijk uit.

Cuidado!

- Dat maakt mij niets uit.
- Dat maakt mij niet uit.

Eu não me importo.

- Ziet het er oké uit?
- Ziet het er acceptabel uit?

Parece ok?

- Jij ziet er gezond uit.
- Je ziet er gezond uit.

Você parece saudável.

- Doe het licht uit alstublieft.
- Doe het licht uit, alstublieft.

Acenda a luz, por favor.

- Uit welk land kom je?
- Uit welk land komt u?

- De que país você é?
- De onde vocês são?
- De onde você é?
- De que país vocês são?

Doe het licht uit wanneer je de kamer uit gaat.

Apague a luz ao deixar o quarto.

- Doe het licht uit, alsjeblieft.
- Doe het licht uit, alstublieft.

- Desligue a luz, por favor.
- Apague a luz, por favor.

Ik kom uit Singapore.

Eu sou de Singapura.

Ik kom uit Zambia.

Eu sou da Zâmbia.

Jane komt uit Australië.

- Jane é oriunda da Austrália.
- Jane vem da Austrália.
- Jane veio da Austrália.

Ik kom uit Saitama.

- Eu venho de Saitama.
- Eu sou de Saitama.

Ik ga vanmiddag uit.

Vou sair esta tarde.

Ik kom uit Engeland.

Eu sou da Inglaterra.

Ik kom uit Canada.

Eu venho do Canadá.

Tom komt uit Boston.

- Tom vem de Boston.
- Tom é de Boston.

Ik kom uit Egypte.

Venho do Egito.

Hij komt uit Frankrijk.

Ele é da França.

Tom lachte Maria uit.

Tom riu de Maria.

Ik kom uit Australië.

- Eu sou da Austrália.
- Sou da Austrália.

Gooi het anker uit!

Lance a âncora!

Ik kom uit Colombia.

Eu sou da Colômbia.

Ik kom uit Nederland.

- Eu sou da Holanda.
- Sou da Holanda.

- Kijk uit!
- Pas op!

Cuidado!

Handen uit de mouwen!

Mãos à obra!

Ik kom uit Noorwegen.

- Eu sou da Noruega.
- Sou da Noruega.

Hij komt uit Parijs.

Ele vem de Paris.

Ik kom uit Milaan.

Venho de Milão.

Ze komt uit Somalië.

Ela é da Somália.

Leg het mij uit.

Explique-me isso.

De kaars ging uit.

- A vela apagou-se.
- A vela se apagou.

Ik kom uit Ecuador.

- Eu sou do Equador.
- Sou do Equador.

Ik kijk ernaar uit.

- Não vejo a hora.
- Mal posso esperar.

Hij komt uit Genève.

Ele vem de Genebra.