Translation of "Waar" in Polish

0.046 sec.

Examples of using "Waar" in a sentence and their polish translations:

Waar?

Gdzie?

- Waar woon je?
- Waar woont gij?
- Waar wonen jullie?
- Waar woont u?

Gdzie mieszkasz?

- Waar verblijf je?
- Waar verblijft u?
- Waar verblijven jullie?

Gdzie się pan zatrzymał?

- Waar woon je?
- Waar woont gij?
- Waar woont u?

- Gdzie mieszkasz?
- Gdzie pan mieszka?

- Waar woont hij?
- Waar is haar huis?
- Waar is zijn huis?
- Waar woont ze?
- Waar wonen ze?
- Waar is hun huis?

Gdzie on mieszka?

- Waar waren jullie?
- Waar ben je geweest?
- Waar was je?
- Waar zijn jullie geweest?

- Gdzie byłeś?
- Gdzie byłaś?
- Gdzie byliście?
- Gdzie byłyście?

- Waar ben je?
- Waar zijt ge?

Gdzie jesteś?

- Waar zijn we?
- Waar zijn wij?

- Gdzie my jesteśmy?
- Gdzie jesteśmy?

- Waar woont hij?
- Waar woont ie?

Gdzie on mieszka?

- Waar is hij?
- Waar zit hij?

Gdzie on jest?

- Waar woon je?
- Waar woont gij?

Gdzie mieszkasz?

- Waar ben je?
- Waar zijn jullie?

Gdzie jesteś?

- Waar ging je heen?
- Waar ben je geweest?
- Waar was je heen gegaan?
- Waar zijn jullie geweest?
- Waar was je heen?
- Waar gingen jullie heen?
- Waar waren jullie heen?

Gdzie poszłaś?

- Waar ga je heen?
- Waar gaat ge naartoe?
- Waar gaan jullie naartoe?
- Waar ga je naartoe?
- Waar gaat u heen?

Dokąd idziesz?

Echt waar.

Naprawdę.

"Echt waar?"

"Naprawdę?"

- Waar is ma?
- Waar is mijn moeder?

- Gdzie jest moja matka?
- Gdzie jest moja mama?

- Waar kom je vandaan?
- Waar komt u vandaan?
- Waar komen jullie vandaan?

Skąd jesteś?

- Waar is het toilet?
- Waar is de wc?
- Waar is de badkamer?

Gdzie jest toaleta?

- Waar zijn uw kinderen?
- Waar zijn jullie kinderen?
- Waar zijn je kinderen?

Gdzie są twoje dzieci?

- Waar zijn uw kinderen?
- Waar zijn jouw kinderen?
- Waar zijn jullie kinderen?

- Gdzie są twoje dzieci?
- Gdzie są Twoje dzieci?

- Waar hou je van?
- Waar houdt u van?
- Waar houden jullie van?

Co byś chciał?

- Waar wil je heen?
- Waar willen jullie heen?
- Waar wilt u heen?

Do czego zmierzasz?

- Waar woon je nu?
- Waar woont u nu?
- Waar woon je tegenwoordig?

Gdzie teraz mieszkasz?

- Waar is het toilet?
- Waar is de wc?

Gdzie jest toaleta?

- Waar woont je opa?
- Waar woont je grootvader?

Gdzie mieszka twój dziadek?

- Waar woon je nu?
- Waar woont u nu?

Gdzie teraz mieszkasz?

- Waar ben je geboren?
- Waar bent u geboren?

- Gdzie się urodziłeś?
- Gdzie się pan urodził?

- Waar gaan we naartoe?
- Naar waar gaan we?

Gdzie idziemy?

- Waar zijn je ouders?
- Waar zijn jullie ouders?

Gdzie są twoi rodzice?

- Waar is de bakker?
- Waar is de bakkerij?

Gdzie jest piekarnia?

- Waar is je vader?
- Waar is jullie vader?

Gdzie jest twój ojciec?

- Waar is mijn man?
- Waar is mijn echtgenoot?

Gdzie jest mój mąż?

- Waar is de eetzaal?
- Waar is de eetkamer?

Gdzie jest jadalnia?

- Waar is jouw hond?
- Waar is je hond?

- Gdzie twój pies?
- Gdzie jest twój pies?

- Waar is de plee?
- Waar is de wc?

Gdzie jest toaleta?

- Waar is je kamer?
- Waar is jullie kamer?

Gdzie jest twój pokój?

- Waar kom je vandaan?
- Waar komt u vandaan?

- Skąd jesteś?
- Skąd pochodzicie?

- Waar is de tandpasta?
- Waar is er tandpasta?

Gdzie jest pasta do zębów?

- Waar is m'n bril?
- Waar is mijn bril?

Gdzie są moje okulary?

- Waar is het treinstation?
- Waar is het station?

Gdzie jest stacja kolejowa?

- Waar denk je aan?
- Waar denkt u aan?

- O czym myślisz?
- O czym myślicie?

- Waar is jouw kleinzoon?
- Waar is uw kleinzoon?

- Gdzie jest twój wnuk?
- Gdzie jest wasz wnuk?

- Waar zult ge zijn?
- Waar zul je zijn?

Gdzie będziesz?

Waar is hij?

Gdzie on jest?

Waar woont gij?

Gdzie pan mieszka?

Waar woon je?

Gdzie mieszkasz?

Waar ben ik?

Gdzie ja jestem?

Waar is het?

Gdzie to jest?

Waar woont hij?

Gdzie on mieszka?

Waar is Laurie?

Gdzie jest Laurie?

Waar werk je?

Gdzie pracujesz?

Waar waren ze?

Gdzie oni byli?

Waar ben je?

Gdzie jesteś?

- Echt?
- Echt waar?

Nie mów.

Waar is Parijs?

Gdzie leży Paryż?

Is dat waar?

Czy to prawda?

Het is waar.

To prawda.

Waar is Mississippi?

Gdzie leży Mississippi?

Waar is Tony?

Gdzie jest Tony?

Waar ligt Boston?

Gdzie leży Boston?

Waar zijn we?

Gdzie jesteśmy?

- Waar ben je gisteren geweest?
- Waar was je gisteren?

Gdzie wczoraj poszedłeś?

- Is het waar?
- Is dat zo?
- Is dat waar?

Naprawdę?

- Waar woon je in Turkije?
- Waar woont u in Turkije?
- Waar wonen jullie in Turkije?

Gdzie w Turcji mieszkasz?

- Waar wacht je op?
- Waar wachten jullie op?
- Waar wacht u op?
- Waarop wachten jullie?

Na co czekasz?

- Weet gij waar hij woont?
- Weet jij waar hij woont?
- Weet u waar hij woont?

Czy wiesz, gdzie on mieszka?

- Waar komen jouw voorouders vandaan?
- Waar komen uw voorouders vandaan?
- Waar komen jullie voorouders vandaan?

Skąd pochodzą twoi przodkowie?

- Waar heb je het over?
- Waar praat je over?
- Waar hebt u het over?
- Waar praten jullie over?
- Wat bedoel je daarmee?

- O czym ty mówisz?
- O czym mówisz?
- No co ty!