Translation of "Huis" in Polish

0.029 sec.

Examples of using "Huis" in a sentence and their polish translations:

- Ons huis is jouw huis.
- Ons huis is jullie huis.

Nasz dom jest twoim domem.

Mijn huis is jouw huis.

Mój dom jest twoim domem.

- Jouw huis is groot.
- Uw huis is groot.
- Jullie huis is groot.

- Twój dom jest duży.
- Wasz dom jest duży.

- Tom liep naar huis.
- Tom is naar huis gelopen.
- Tom is naar huis gewandeld.
- Tom wandelde naar huis.

- Tom wszedł do domu.
- Tom przyszedł do domu.

- Is dat uw huis?
- Is dat jouw huis?

Czy to twój dom?

- Haast je naar huis.
- Kom snel naar huis.

Spiesz się do domu.

- Wat een mooi huis!
- Wat een prachtig huis!

Jaki piękny dom!

- Dat is mijn huis.
- Dit is mijn huis.

Ten dom należy do mnie.

- Dit is haar huis.
- Dat is haar huis.

To ich dom.

Kom naar huis.

Wróć do domu.

Bel naar huis!

Zadzwoń do domu.

Ga naar huis!

Idź do domu!

- Ik wil naar huis.
- Ik wil naar huis gaan.

Chcę iść do domu.

- Hij liep naar huis.
- Hij is naar huis gelopen.

- Wszedł do domu.
- Przyszedł do domu.

- Dit is zijn huis.
- Dit huis is van hem.

Ten dom należy do niego.

- Breng me naar huis.
- Neem me mee naar huis.

Zabierz mnie do domu.

- Haar huis is zeer modern.
- Hun huis is zeer modern.

Jej dom jest bardzo nowoczesny.

- Het spookt in dat huis.
- Het spookt in het huis.

Ten dom jest nawiedzony.

- Dat huis is van mij.
- Dit huis is van mij.

Ten dom należy do mnie.

- Hij ging te voet naar huis.
- Hij liep naar huis.
- Hij is te voet naar huis gegaan.

Poszedł do domu na piechotę.

Dit is hun huis.

To ich dom.

Dit is zijn huis.

To jego dom.

Dat is mijn huis.

- To mój dom.
- To jest mój dom.

Ik zie het huis.

Widzę dom.

Dat is zijn huis.

To jego dom.

Ze ging naar huis.

Poszła do domu.

Mijn huis is groot.

Mój dom jest duży.

Het huis is mooi.

Ten dom jest piękny.

Ik zie een huis.

Widzę dom.

Mijn huis is verzekerd.

Mój dom jest ubezpieczony.

Ga nu naar huis.

Idź do domu, teraz.

Dit is mijn huis.

- To mój dom.
- To jest mój dom.

Mijn huis is klein.

Mój dom jest mały.

Dit is ons huis.

To jest nasz dom.

Ga terug naar huis.

Wracaj do domu.

Tom moest naar huis.

Tom musi iść do domu.

Dit huis is onbewoonbaar.

Ten dom jest niezamieszkany.

Ik ging naar huis.

Poszedłem do domu.

Wat een mooi huis!

Jaki piękny dom!

Dat is haar huis.

To jest jej dom.

Het huis is afgebrand.

Dom spłonął.

Dat huis is groot.

Ten dom jest duży.

Waar is haar huis?

Gdzie jest jej dom?

Dit is haar huis.

To jej dom.

Ik repareer het huis.

Remontuję dom.

Ik haat mijn huis.

Nienawidzę mojego domu.

Jullie huis is groot.

Wasz dom jest duży.

Kom onmiddellijk naar huis.

Chodź natychmiast do domu.

Is dat jouw huis?

Czy to twój dom?

Ik zie je huis.

Widzę twój dom.

Ga snel naar huis!

Idź szybko do domu!

- Ik heb me naar huis gehaast.
- Ik haastte me naar huis.

Pobiegłem do domu.

- Ge moogt naar huis gaan nu.
- Je kunt nu naar huis gaan.

Możesz teraz iść do domu.

Zijn huis staat te koop.

Jego dom jest do kupienia.

Ik hou van mijn huis.

Lubię mój dom.

Ben je vannacht in huis?

Czy będziesz w domu tej nocy?

Het huis staat in brand.

Dom się pali.

Dat is een blauw huis.

To jest niebieski koń.

Ik ben in het huis.

Jestem w domu.

Wanneer gaan we naar huis?

Kiedy pójdziemy do domu?

Mag ik naar huis gaan?

Mogę iść do domu?

Ik bouwde een nieuw huis.

Zbudowałem nowy dom.

Ik moet mijn huis verkopen.

Muszę sprzedać swój dom.

Neem Tom mee naar huis.

Zabierz Toma do domu.

Ik wil niet naar huis.

Nie chcę wracać do domu.

Ik moet naar huis gaan.

- Muszę iść do domu.
- Muszę wracać do domu.

Kom je niet naar huis?

Nie przyjdziesz do domu?

Tom verliet haastig het huis.

Tom opuścił dom w pośpiechu.

Het spookt in dat huis.

Tamten dom jest nawiedzony.

Ze zullen een huis bouwen.

Zbudują dom.

Hij bouwde een nieuw huis.

Zbudował nowy dom.

Dit huis heeft zes kamers.

W tym domu jest 6 pokoi.

Hoe groot is jouw huis?

Jak duży jest twój dom?

Tom is in het huis.

Tomasz jest w domu.

Ze hebben een groot huis.

Mają ogromny dom.

Elk huis had een tuin.

Każdy dom miał ogród.

We wonen in een huis.

Mieszkamy w domu.

Ik sluip het huis binnen.

- Wchodzę do domu ukradkiem.
- Wślizguję się ukradkiem do domu.

Hij wandelde voorbij het huis.

Przeszedł obok tego domu.

Ik ga nu naar huis.

Idę do domu.

Het huis moet gerenoveerd worden.

Dom wymaga naprawy.

Ik breng je naar huis.

Zabiorę cię do domu.

Dit huis is erg klein.

Ten dom jest bardzo mały.

- Je kan maar beter naar huis gaan.
- Je kunt beter naar huis gaan.

Powinieneś iść do domu.

- Waar woont hij?
- Waar is haar huis?
- Waar is zijn huis?
- Waar woont ze?
- Waar wonen ze?
- Waar is hun huis?

Gdzie on mieszka?