Translation of "Zijn" in Polish

0.041 sec.

Examples of using "Zijn" in a sentence and their polish translations:

Zijn ogen zijn blauw.

Jego oczy są niebieskie.

Zijn schoenen zijn bruin.

Ma brązowe buty.

Programmeertalen zijn zijn hobby.

Języki programowania to jego hobby.

Zijn benen zijn lang.

Jego nogi są długie.

We zijn zijn kinderen.

Jesteśmy jego dziećmi.

Wij zijn zijn zonen.

Jesteśmy jego synami.

Zijn antennes zijn zo gevoelig...

Jego czułki są tak czułe,

Zijn kinderen zijn groot geworden.

Jego dzieci dorosły.

Zijn beide ouders zijn dood.

Oboje jego rodzice nie żyją.

Wij zijn met zijn drieën.

Jest nas trzech.

- Zowel zijn vader als moeder zijn gestorven.
- Zijn vader en moeder zijn beiden dood.

Nie żyje ani jego matka, ani ojciec.

Dat moet zijn grootste zorg zijn.

Podejrzewam, że to jego główne zmartwienie.

- Zij zijn dokters.
- Zij zijn artsen.

Oni są lekarzami.

- We zijn beschikbaar!
- We zijn vrij!

Jesteśmy wolni!

- Waar zijn we?
- Waar zijn wij?

- Gdzie my jesteśmy?
- Gdzie jesteśmy?

- Ze zijn binnen.
- Zij zijn binnen.

Są w środku.

We zijn zeker van zijn succes.

Jesteśmy pewni jego sukcesu.

- Zij zijn zangers.
- Zij zijn zangeressen.

Oni są śpiewakami.

- Ze zijn onbevreesd.
- Zij zijn onbevreesd.

Są nieustraszeni.

- Ze zijn nieuw.
- Zij zijn nieuw.

Oni są nowi.

- Ze zijn raar.
- Zij zijn raar.

- Oni są dziwni.
- One są dziwne.
- Są dziwni.
- Są dziwne.

- Ze zijn bang.
- Zij zijn bang.

Są przestraszeni.

- We zijn ervaren.
- Wij zijn ervaren.

Jesteśmy doświadczeni.

- We zijn verloren.
- We zijn verdwaald.

Zgubiliśmy się.

- Ze zijn onbetrouwbaar.
- Zij zijn onbetrouwbaar.

- Oni są niesolidni.
- One są niesolidne.
- Jest pan niesolidny.
- Jest pani niesolidna.
- Jesteście państwo niesolidni.

- Ze zijn geweldig.
- Zij zijn geweldig.

- Są wspaniali.
- Są świetni.

- Buitenlanders zijn interessant.
- Buitenlanders zijn vermakelijk.

Cudzoziemcy są ciekawi.

- Dat zijn cadeaus.
- Dat zijn geschenken.

To są prezenty.

- We zijn studenten.
- We zijn leerlingen.

- Jesteśmy studentami.
- Jesteśmy uczniami.

- We zijn mannen.
- Wij zijn mannen.

Jesteśmy mężczyznami.

- Ze zijn kinderen.
- Zij zijn kinderen.

Oni są dziećmi.

...zijn ontvangen.

zostały wysłuchane.

Zijn overblijfselen.

jego szczątki.

- Het zijn neven en nichten.
- Ze zijn neven en nichten.
- Ze zijn neven.
- Het zijn neven.

- Oni są kuzynami.
- One są kuzynkami.

- Zijn of niet zijn, daar gaat het om.
- Zijn of niet zijn, dat is de vraag.

- Być albo nie być, oto jest pytanie.
- Być, albo nie być, oto jest pytanie.

- Te zijn of niet te zijn, dat is de kwestie.
- Zijn of niet zijn, daar gaat het om.
- Zijn of niet zijn, dat is de vraag.

Być albo nie być, oto jest pytanie.

Hij promoot zijn kracht met zijn geur.

Oznajmia swoją siłę zapachem.

Maar zijn problemen zijn pas net begonnen.

Ale problemy dopiero się zaczynają.

Zijn vader en moeder zijn beiden dood.

Nie żyje ani jego matka, ani ojciec.

- Hier zijn we dan.
- Hier zijn we!

Jesteśmy na miejscu!

- Bloemen zijn geel.
- De bloemen zijn geel.

Kwiaty są żółte.

Zowel zijn vader als moeder zijn gestorven.

Nie żyje ani jego matka, ani ojciec.

Hij kan trots zijn op zijn vader.

Może być dumny ze swojego ojca.

Vleermuizen zijn geen vogels, het zijn zoogdieren.

Nietoperze nie są ptakami lecz ssakami.

Hij wijdde zijn leven aan zijn studies.

Poświęcił swoje życie studiowaniu.

- Kersen zijn rood.
- De kersen zijn rood.

Wiśnie są czerwone.

- Waar zijn uw kinderen?
- Waar zijn jullie kinderen?
- Waar zijn je kinderen?

Gdzie są twoje dzieci?

- Waar zijn uw kinderen?
- Waar zijn jouw kinderen?
- Waar zijn jullie kinderen?

- Gdzie są twoje dzieci?
- Gdzie są Twoje dzieci?

- Zijn kleren stinken altijd.
- Zijn kleren ruiken altijd slecht.
- Zijn kleding stinkt altijd.

Jego rzeczy zawsze śmierdzą.

Hoe kunnen we zeker zijn van zijn eerlijkheid?

Jak możemy się upewnić co do jego uczciwości?

- Zijn je regels normaal?
- Zijn je maandstonden normaal?

Czy masz regularną miesiączkę?

- Zijn prestaties werden erkend.
- Zijn prestaties genoten erkenning.

Jego osiągnięcia zostały zauważone.

- Wil je rijk zijn?
- Willen jullie rijk zijn?

Chcesz być bogaty?

- Waar zijn je ouders?
- Waar zijn jullie ouders?

Gdzie są twoi rodzice?

Zijn tanden zijn geel van te veel roken.

Jego zęby są żółte od nadmiernego palenia papierosów.

- We zijn er klaar voor.
- We zijn klaar.

Jesteśmy gotowi.

- Het kan gevaarlijk zijn.
- Dat kan gevaarlijk zijn.

To może być niebezpieczne.

- Wat zijn de opties?
- Wat zijn de mogelijkheden?

Jakie są opcje?

- Daarom zijn we hier.
- Daarom zijn wij hier.

Dlatego tu jesteśmy.

- Is dat zijn paraplu?
- Is dit zijn paraplu?

Czy to jego parasolka?

- Zijn verhaal klinkt raar.
- Zijn verhaal lijkt vreemd.

Jego historia brzmi dziwnie.

Uw schoenen zijn hier. Waar zijn de mijne?

Twoje buty są tutaj. Gdzie są moje?

- Wij zijn neven en nichten.
- Wij zijn neven.

Jesteśmy kuzynami.

- Dit zijn onze boeken.
- Hier zijn onze boeken.

To są nasze książki.

- Dat is zijn auto.
- Dit is zijn auto.

To jego samochód.

"Wiens boeken zijn dit?" "Die zijn van Alice."

"Czyli to książki?" "Alicji."

- De shirts zijn droog.
- De overhemden zijn droog.

Koszule są suche.

- Zijn schuldgevoel was afgenomen.
- Zijn schuldgevoel was verminderd.

Jego poczucie winy zmniejszyło się.

- Die appels zijn groot.
- Deze appels zijn groot.

Te jabłka są duże.

- Zijn dat jouw handschoenen?
- Zijn dat uw handschoenen?

Czy to twoje rękawiczki?

- Waar zult ge zijn?
- Waar zul je zijn?

Gdzie będziesz?

- Zijn mening was niet belangrijk.
- Zijn mening was niet relevant.
- Zijn mening was niet van belang.
- Zijn mening telde niet mee.
- Zijn mening was onbelangrijk.

Jego opinia nie miała znaczenia.

- We zijn een echtpaar.
- We zijn man en vrouw.
- Wij zijn man en vrouw.

Jesteśmy małżeństwem.

Oceanen zijn meedogenloos

oceany to bezlitosne miejsce

Die voedzamer zijn.

który jest bardziej pożywny jako ryba.

We zijn levenskracht,

Jesteśmy siłą życiową.

Ze zijn overal.

Zdarzają się wszędzie

Problemen zijn onvermijdelijk

Problemy są nieuniknione,

We zijn alleen.

jesteśmy sami.

We zijn oplossingsgericht

przeskakiwać do rozwiązań

Zijn hartje stopt.

Jej serce przestaje bić.

Ze zijn herenigd.

Znów są razem.

Robben zijn flexibeler.

Kotiki są zwinniejsze.

Bloemen zijn hard.

Kwiaty są trudne.

Chrysanten zijn duur.

Chryzantemy są drogie.

Ter wereld zijn.

na świecie.

zijn serene zelfverzekerdheid.

Wyzierała z nich spokojna pewność siebie.

Hier zijn exponenten

Potęgowanie

Het zijn worstelaars.

Oni są zapaśnikami.

Ze zijn kunstenaars.

Oni są artystami.