Translation of "Jij" in German

0.028 sec.

Examples of using "Jij" in a sentence and their german translations:

Jij.

Du.

- Hey, jij!
- Hé, jij daar!

- He, du!
- He, Sie!

- Jij begint.
- Begin jij maar.

Du beginnst.

- Ben jij dat?
- Ben jij het?
- Ben jij 't?

- Bist du das?
- Bist du es?

Jij bent de baas, jij beslist.

Du hast das Kommando. Du entscheidest.

- Kan jij paardrijden?
- Kun jij paardrijden?

- Kannst du reiten?
- Kannst du ein Pferd reiten?

- Jij bent degene.
- Jij bent het.

Du bist derjenige.

Jij bent de baas, jij gaat me me mee. Jij bepaalt.

Du hast das Kommando. Wir ziehen das gemeinsam durch. Du entscheidest.

- Gij eerst.
- Jij eerst.
- Ga jij maar eerst.
- Jij mag eerst.

Du zuerst.

Jij bepaalt.

Deine Entscheidung!

En jij?

Und du?

Jij weer?

Du schon wieder?

Jij lult.

- Du laberst.
- Du willst mich doch verarschen!

Jij zot!

- Du hast echt einen Sprung in der Schüssel.
- Du hast 'ne Macke.
- Bei dir ist 'ne Schraube locker.
- Du tickst nicht ganz richtig.
- Du hast einen Vogel.
- Du hast 'ne Meise.
- Du hast ein Rad ab.
- Dich haben sie wohl zu heiß gebadet.
- Du hast 'nen Knall.
- Du hast nicht alle Tassen im Schrank.
- Mattscheibe!
- Du spinnst.
- Du hast 'nen Rappel.
- Dich haben sie wohl als Kind mit dem Klammerbeutel gepudert.

Jij rende.

- Du bist gerannt.
- Du ranntest.

Jij ezel!

Du Esel!

Jij spuugde.

- Du spucktest.
- Du hast gespuckt.

Jij verrader!

Du Verräter!

Jij hypocriet!

- Du Heuchler!
- Sie Heuchler!

Jij eet.

- Du isst.
- Sie essen.

Jij begint.

Du fängst an.

Jij serveert.

Du hast Aufschlag.

Jij duivel!

Du Teufel!

Jij spreekt.

Du sprichst.

Jij verloor.

Du hast verloren.

Jij kookt.

Du kochst.

Jij rijdt.

Du fährst.

Ski jij?

Fährst du Ski?

Wat denk jij? Jij bent de baas.

Was denkst du? Du hast das Kommando.

Wat denk jij? Jij bent de baas.

Was denkst du? Du hast das Kommando.

- Jij bent aan de beurt.
- Jij bent.

Du bist dran.

- Ben jij zanger?
- Ben jij een zangeres?

- Bist du Sänger?
- Bist du Sängerin?

- Jij wint.
- Jij bent aan het winnen.

Du gewinnst.

- Jij bent hopeloos.
- Jij bent een hopeloos geval.
- Jij deugt nergens meer voor.

Du bist hoffnungslos.

Jij hebt het voor het zeggen. Jij bepaalt.

Du hast das Kommando. Du entscheidest.

Wat denk jij? Modder of takken? Jij bepaalt.

Was denkst du? Schlamm oder Äste? Du entscheidest.

Jij geeft leiding aan deze tocht. Jij bepaalt.

Du hast das Kommando. Deine Entscheidung.

Jij kan niet vertalen wat jij niet begrijpt.

Was man nicht verstanden hat, das kann man nicht übersetzen.

- Jij idioot!!
- Idioot!
- Stomkop!
- Sukkel!
- Jij ezel!
- Dwaas!

Du Idiot!

- Gij eerst.
- Jij eerst.
- Ga jij maar eerst.

Du zuerst.

- Werk jij op maandagen?
- Werk jij 's maandags?

Arbeitest du montags?

Jij mag beslissen.

Okay, du entscheidest.

Wat denk jij?

Was denkst du?

Wat vind jij?

Was meinst du?

"Ben jij flexibel?"

"Bist du agil?"

Goed gedaan, jij.

Gute Arbeit!

Jij zingt altijd.

Du singst immer.

Heb jij potloden?

Hast du Bleistifte?

Jij, wees stil!

Du, sei still!

Kun jij paardrijden?

Kannst du reiten?

Heb jij plannen?

Hast du Pläne?

Ben jij John?

Bist du Johannes?

Jij spreekt Duits.

Du sprichst Deutsch.

Spreek jij Klingon?

Sprichst du Klingonisch?

Jij studeert Engels.

Du studierst Englisch.

Ga jij ook?

Gehst du auch?

Ween jij vaak?

Weinst du oft?

Jij bent professor.

Du bist Professor.

- Jij idioot!!
- Idioot!

- Du Idiot!
- Du bist ein Idiot.
- Blödmann!
- Idiot!

Jij blijft daar.

Du bleibst da.

Jij drinkt thee.

Du trinkst Tee.

Jij bent het.

- Du bist der eine.
- Du bist derjenige.
- Du bist der betreffende.

Jij helpt ons.

Sie helfen uns.

Schrijf jij liefdesbrieven?

- Schreibst du Liebesbriefe?
- Schreibt ihr Liebesbriefe?
- Schreiben Sie Liebesbriefe?