Translation of "Maar" in German

0.042 sec.

Examples of using "Maar" in a sentence and their german translations:

Maar ...

Allerdings

- Vergeet het maar!
- Laat maar!

Lass nur!

- Proef maar!
- Proef maar eens!

- Probier davon!
- Koste mal!

- Proef maar!
- Proef maar eens!
- Proef eens.
- Proef maar.

Koste mal!

- Probeer!
- Proef maar!
- Proef maar eens!

- Versuch's mal!
- Probier mal!
- Probier's aus!

- Proef maar!
- Proef eens.
- Proef maar.

Koste mal!

- Ga!
- Begin!
- Ga maar.
- Vertrek maar.

Fangt an.

- Alleen maar blabla.
- Alleen maar geleuter.

Leeres Gerede.

Maar kijk.

Aber schau dir das hier an.

Kijk maar.

Schau doch.

maar nee.

Aber nein.

Maar ik,

Aber ich,

Laat maar.

- Lass es.
- Lass mal.

Rustig maar.

- Nimm es gelassen.
- Nehmt es gelassen.
- Nehmen Sie es gelassen.

Laat maar!

Mach dir nichts draus!

Maar waarom?

Aber warum?

Maar goed.

- Wie dem auch sei.
- Egal!

Maar natuurlijk!

Aber natürlich!

Huil maar!

Heul doch!

- Probeer het eens.
- Probeer maar eens.
- Probeer het maar.
- Probeer maar.
- Probeer eens.

- Versuch’s doch mal!
- Versuch es doch!
- Versuch’s!
- Probier mal.

Gelukt. Maar hij kan nu maar beter gaan.

Erfolg! Doch besser nicht zu lange bleiben.

Gaat u maar zitten waar u maar wilt.

- Setz dich hin, wo du willst.
- Setzen Sie sich, wohin Sie wollen.
- Setz dich dahin, wo du willst.
- Setz dich, wo immer du willst.

- HIj praatte maar door.
- Hij bleef maar doorpraten.

Er hörte nicht auf, zu reden.

Bedankt, maar ik hoef alleen maar te kijken.

Danke, ich möchte bloß schauen.

- Hou de rest maar.
- Hou het wisselgeld maar!

- Behalte das Wechselgeld.
- Stimmt so.

- Bewijs het.
- Bewijs het maar.
- Bewijs dat maar.

Beweisen Sie es.

Maar ook concurrentie.

Aber sie hat auch Konkurrenz.

Kom maar kijken.

Komm mit, schauen wir hinein.

Maar niet allemaal.

Aber nicht alle.

Maar vanavond niet.

Aber nicht heute.

Maar pythons ook.

Aber Pythons ebenfalls.

maar Esther niet.

aber Esther nicht.

Maar weet je?

Aber wissen Sie was?

OK. Doe maar.

Okay. Mach mal.

Vooruit dan maar!

- Dann fangen wir mal an.
- Los dann!

Laat maar zitten.

Lass gut sein.

Reken maar uit.

Rechne es aus.

Nou, kijk maar!

- Na, sieh mal!
- Na, sieh mal einer an!

Treurig, maar waar!

Traurig, aber wahr!

Kom maar meedoen.

Mach doch mit!

Kom maar binnen.

- Komm nur herein.
- Komm doch herein.

Begin maar vast.

Fang schon mal an.

- Vraag maar!
- Vraag!

- Frag!
- Fragen Sie!

Ongelooflijk, maar waar.

Kaum zu glauben, aber wahr.

Maar deel toch!

Aber teilen!

Maar het sneeuwt!

Es schneit ja!

Vergeet het maar.

Vergesst es.

Zeg maar nee.

Sag einfach nein.

- Giet maar!
- Inschenken!

Gieße!

Volg ze maar.

Folge ihnen einfach nach!

Ga jij maar.

Du gehst.

Ik heb maar een mond, maar wel twee oren.

Ich habe nur einen Mund, aber zwei Ohren.

- Alstublieft.
- Neem 't maar.
- Neem'm maar.
- Hier is het.

- Nehmen Sie.
- Nehmt.

- Het is maar een grapje.
- Het is maar een grap.

- Es ist bloß ein Witz.
- Das ist bloß ein Witz.
- Es ist nur ein Spaß.

- Doe me maar een biertje!
- Doe mij maar een biertje!

Gib mir mal ein Bierchen!

- Maar er was één probleem.
- Er was maar één probleem.

Es gab nur ein Problem.

- Laat het geld maar komen!
- Laat de poen maar komen!

Geld her!

- Ga maar gewoon naar bed.
- Ga nou maar naar bed.

- Geh einfach wieder ins Bett.
- Geh wieder ins Bett.

- Had ik maar een auto.
- Hadden we maar een auto.

Ich wünschte, ich hätte ein Auto.

- Ik maak maar een grapje.
- Het is maar een grap.

Ich mache nur Spaß.

- Wij gaan, maar zonder u.
- Wij gaan maar zonder jou.

Wir werden gehen, aber du nicht.

- Je bent maar een jongen.
- Je bent maar een kind.

Du bist erst ein Kind.

- Ik bleef maar proberen, maar het lukte maar niet.
- Ik probeerde het keer na keer, maar ik kon het niet voor elkaar krijgen.

Ich habe es wieder und wieder versucht, aber ich konnte es nicht schaffen.

- Dat is vreemd, maar waar.
- Dat klinkt vreemd, maar het is waar.
- Het is vreemd, maar waar.

- Das ist schon komisch, aber es ist so.
- Es ist schon seltsam, aber so ist es nun einmal.

- Maar hij had werk nodig.
- Maar hij had een job nodig.
- Maar hij had een baan nodig.

Aber er brauchte Arbeit.

Maar Facebook weet het.

Aber Facebook weiß es.

Maar er gebeurde iets

Aber etwas ist passiert,

Zeg het dan maar.

Sagen Sie: "Ja, nur zu."

Maar hoe dan ook.

Aber na ja.

Maar aan de linkerkant

Doch auf der linken Seite

maar gebruiken geen anticonceptie.

aber nutzen keine Empfängnisverhütung.

Maar als gletsjers smelten

Aber wenn Gletscher schmelzen,

maar het punt is:

Aber tatsächlich

maar vereisen ook daden.

sie erfordern Taten.

Maar eerder iets poëtisch,

Sondern vielleicht so wie Poesie

Zeg jij het maar.

Okay, deine Entscheidung.

Maar ze bang maken?

Aber erschrecken sie?

Maar deze man niet.

Der Typ allerdings nicht.

Maar kijk hier: Potloodplant.

Und hier, Wolfsmilchgewächs.

Maar dat wordt gevaarlijk.

Aber das wird gefährlich.

Maar hij loog nooit.

Aber er log mich nie an.

Maar brengt ook gevaar.

Doch sie birgt auch Gefahren.

...maar dit knaagdiertje niet.

Dieser kleine Nager jedoch nicht.