Translation of "Bent" in German

0.025 sec.

Examples of using "Bent" in a sentence and their german translations:

- Je bent vrijgevig.
- Je bent gul.
- U bent vrijgevig.
- U bent gul.

Du bist großzügig.

Je bent wat je bent.

Man ist, was man ist.

- Je bent prachtig!
- Je bent schitterend!
- Je bent beeldschoon!

Du siehst unglaublich aus!

- U bent rijk.
- Je bent rijk.
- Jij bent rijk.

- Du bist reich.
- Sie sind reich.
- Ihr seid reich.

- Je bent dom.
- Jij bent stom.

Du bist dumm.

- Jij bent mooi.
- Je bent mooi.

- Du bist schön.
- Du bist hübsch.

- Je bent gemoedelijk.
- Je bent onbekommerd.

Du bist leichtlebig.

- Je bent ziek!
- Je bent gestoord.

Du bist krank.

- Jij bent wijs.
- Je bent wijs.

Du bist weise.

- Je bent onpartijdig.
- U bent onpartijdig.

- Du bist unvoreingenommen.
- Sie sind unvoreingenommen.

- U bent nerveus.
- Jij bent nerveus.

- Sie sind nervös.
- Du bist nervös.
- Ihr seid nervös.

- U bent hier.
- Je bent hier.

Du bist hier.

- Jij bent professor.
- U bent professor.

Du bist Professor.

- Je bent ongelofelijk!
- U bent ongelofelijk.

- Sie sind unglaublich.
- Du bist unglaublich!

- Jij bent dapper.
- Je bent moedig.

- Du bist mutig.
- Sie sind mutig.
- Ihr seid mutig.

- Jij bent ondeugend.
- Je bent gemeen.

Du bist ungezogen.

- U bent grappig.
- Je bent grappig.

Du bist ein Spassvogel.

- U bent ziek!
- Je bent ziek!

Du bist krank!

- Je bent rijk.
- Jij bent rijk.

Du bist reich.

- Je bent veranderd.
- U bent veranderd.

Du hast dich verändert.

- Je bent geweldig.
- Je bent fantastisch.

Du bist fantastisch.

- Jij bent degene.
- Jij bent het.

Du bist derjenige.

- Je bent geel.
- Jij bent geel.

Du bist gelb.

- Je bent vrij.
- U bent vrij.

- Sie sind frei.
- Du bist frei.

- Jij bent oud.
- Je bent oud.

Du bist alt.

- Je bent een leraar.
- Je bent een lerares.
- Je bent leerkracht.

- Du bist Lehrer.
- Du bist Lehrerin.

- Je bent mijn buurman.
- Je bent mijn buurvrouw.
- U bent mijn buurman.
- U bent mijn buurvrouw.

- Sie sind mein Nachbar.
- Du bist mein Nachbar.
- Du bist meine Nachbarin.
- Sie sind meine Nachbarin.

- Jij bent aan de beurt.
- Jij bent.

Du bist dran.

- Je bent geweldig.
- Je bent echt goed.

Du bist super.

- Je bent te vertrouwen.
- Je bent betrouwbaar.

Du bist zuverlässig.

- Je bent aangekomen.
- Je bent dikker geworden.

- Sie haben zugenommen.
- Ihr habt zugenommen.
- Du hast zugenommen.

- Je bent een leraar.
- Je bent leerkracht.

Du bist ein Lehrer.

- Je bent verdikt.
- Je bent dik geworden.

Du bist dick geworden.

- Je bent taai.
- Je bent een harde.

- Du bist zäh.
- Sie sind zäh.
- Ihr seid zäh.

- Jij bent een persoon.
- Je bent iemand.

Du bist eine Person.

- Je bent een lerares.
- Je bent leerkracht.

Du bist Lehrerin.

- Je bent vast moe.
- Je bent moe, niet?
- Je bent moe, nietwaar?

- Du bist müde, nicht wahr?
- Du bist bestimmt müde.
- Sie sind müde, oder?
- Ihr seid müde, oder?
- Sie sind müde, nicht wahr?

- U bent rijk.
- Jullie zijn rijk.
- Je bent rijk.
- Jij bent rijk.

Du bist reich.

- Jij bent oud.
- U bent oud.
- Jullie zijn oud.
- Je bent oud.

- Du bist alt.
- Sie sind alt.

- Jij bent mijn vijand.
- Je bent mijn vijand.
- U bent mijn vijand.

- Du bist mein Feind.
- Sie sind mein Feind.

- Jij bent wijs.
- Je bent wijs.
- U bent wijs.
- Jullie zijn wijs.

- Du bist weise.
- Ihr seid weise.
- Sie sind weise.

- Je bent volslagen gek!
- Je bent knettergek!
- Je bent een enorme idioot!

Du bist ein Vollidiot!

- Jij bent mijn vader.
- U bent mijn vader.

Du bist mein Vater.

- Je bent een nietsnut.
- Je bent een deugniet.

- Du bist ein Nichtsnutz.
- Du bist nutzlos.

- Je bent moe, niet?
- Je bent moe, nietwaar?

Du bist müde, nicht wahr?

- U bent mijn held.
- Je bent mijn held.

Du bist mein Held.

- Je bent een vrouw.
- U bent een vrouw.

Du bist eine Frau.

- U bent een moordenaar.
- Jij bent een moordenaar.

- Du bist ein Mörder.
- Du bist eine Mörderin.
- Sie sind ein Mörder.
- Sie sind eine Mörderin.

- Je bent een spion.
- U bent een spion.

- Du bist ein Spion.
- Sie sind ein Spion.

- Je bent verward.
- Je bent in de war.

- Du bist verwirrt.
- Ihr seid verwirrt.
- Sie sind verwirrt.

- Je bent heel ziek.
- U bent erg ziek.

Du bist schwer krank.

- U bent erg moedig.
- Je bent heel moedig.

- Du bist sehr tapfer.
- Ihr seid sehr mutig.
- Sie sind sehr mutig.
- Du bist sehr mutig.
- Sie sind sehr tapfer.

- Je bent heel mooi.
- Je bent erg knap.

- Du bist sehr schön.
- Du bist wunderschön.

- Jij bent mijn koningin.
- U bent mijn koningin.

- Du bist meine Königin.
- Sie sind meine Königin.

- Je bent zeer oplettend.
- Je bent zeer nauwlettend.

Du bist sehr aufmerksam.

- Je bent geen flauwerd.
- Je bent geen lafaard.

Du bist kein Feigling.

"Je bent verantwoordelijk

"Sie sind verantwortlich

Je bent dronken!

- Du bist besoffen!
- Du bist betrunken!
- Sie sind betrunken!

Bent u verdwaald?

- Haben Sie sich verlaufen?
- Hast du dich verlaufen?
- Habt ihr euch verlaufen?
- Habt ihr euch verirrt?
- Haben Sie sich verirrt?

Bent u gehaast?

- Habt ihr es eilig?
- Haben Sie es eilig?
- Sind Sie in Eile?

Je bent pedant.

Du bist pedantisch.

Je bent walgelijk!

Du bist ekelhaft!

Je bent ongelofelijk!

- Ihr seid unglaublich.
- Sie sind unglaublich.

Je bent bezweet.

Du bist verschwitzt.

Bent u eenzaam?

- Sind Sie einsam?
- Bist du einsam?

Je bent mal.

Du bist bekloppt.

Je bent rijk.

- Du bist wohlhabend.
- Ihr seid wohlhabend.
- Sie sind wohlhabend.

Je bent lui!

Du bist faul!

Je bent geweldig!

Du bist fantastisch!

Jij bent professor.

Du bist Professor.

U bent veranderd.

Du hast dich verändert.

Je bent speciaal.

Du bist speziell.

U bent speciaal.

Sie ist besonders.

Bent u bang?

Haben Sie Angst?

Je bent gek!

Du spinnst!

Je bent ontslagen.

- Du bist gefeuert.
- Sie ist gefeuert worden.
- Sie sind entlassen!
- Du bist entlassen!

Je bent oerdom.

Du bist stockdumm.

Je bent belangrijk.

Du bist wichtig.

Jij bent het.

- Du bist der eine.
- Du bist derjenige.
- Du bist der betreffende.