Translation of "Haar" in French

0.024 sec.

Examples of using "Haar" in a sentence and their french translations:

Haar haar is lang.

Ses cheveux sont longs.

Ze borstelt haar haar.

Elle se brosse les cheveux.

Haar haar wordt grijs.

Ses cheveux deviennent gris.

Haar klasgenoten plaagden haar.

Ses camarades la narguaient.

- Haar haar is lang.
- Zij heeft lang haar.

- Elle a des cheveux longs.
- Elle a de longs cheveux.
- Elle a une longue chevelure.

- Ze heeft haar geld, haar gezin en haar vrienden verloren.
- Ze heeft haar geld, haar familie en haar vrienden verloren.

Elle perdit son argent, sa famille, ses amis.

Haar haar is heel kort.

- Elle a les cheveux très courts.
- Ses cheveux sont très courts.

- Stop haar!
- Hou haar tegen!

- Arrêtez-la !
- Arrête-la !

Ze verfde haar haar blond.

- Elle teint ses cheveux en blond.
- Elle a teint ses cheveux en blond.

Haar vrienden houden van haar.

Ses amis l'aiment.

- Vergeet haar.
- Vergeet haar maar.

Oublie-la.

- Vertrouw je haar?
- Vertrouwt u haar?
- Vertrouwen jullie haar?

- Lui faites-vous confiance ?
- Lui fais-tu confiance ?

Hij prees haar voor haar schoonheid en haar zangkunst.

Il fit les louanges de sa beauté et de son chant.

- Dump haar.
- Stuur haar weg.
- Poeier haar af.
- Zorg dat je van haar afkomt.

- Débarrasse-toi d'elle !
- Débarrassez-vous d'elle !

Hij hindert haar bij haar werk.

Il l'empêche de faire son travail.

Haar haar is lang en prachtig.

Ses cheveux sont longs et magnifiques.

Ze had haar haar kort geknipt.

Elle s'est fait couper les cheveux court.

Ik kuste haar op haar voorhoofd.

Je déposai un baiser sur son front.

Haar zoon betekende alles voor haar.

Son fils était tout pour elle.

- Houd haar stil.
- Hou haar stil.

Tiens-la tranquille.

- Hij knuffelde haar.
- Hij omhelsde haar.

- Il l'enlaça.
- Il l'a enlacée.

Ik heb haar haar woordenboek teruggegeven.

Je lui ai rendu son dictionnaire.

Maria heeft haar haar niet gewassen.

- Mary ne s'est pas lavé les cheveux.
- Mary ne se lava pas les cheveux.

- Ze beschimpen haar!
- Ze bespotten haar!

Ils la narguent !

Hij houdt van haar haar, haar glimlach, haar ogen? Wow, hij kan verdomd goed liegen!

Il aime ses cheveux, son sourire, ses yeux ? Il ment vraiment très bien.

Vergeet haar.

- Oublie-la.
- Oubliez-la.

Haar beurt.

À elle.

Vergeet haar!

Oublie-la !

- Zij?
- Haar?

Elle ?

Negeer haar.

- Ignorez-la.
- Ignore-la.

Controleer haar.

Vérifiez-la.

Bel haar!

- Appelle-la !
- Appelez-la !

Help haar!

- Aidez-la !
- Aide-la !

- Ze corrigeert haar fouten.
- Ze verbetert haar fouten.
- Zij verbetert haar fouten.
- Zij corrigeert haar fouten.

Elle corrige ses erreurs.

Kunt ge haar onderscheiden van haar zus?

Peux-tu la distinguer de sa sœur ?

- Hij sloeg haar.
- Hij heeft haar geslagen.

Il l'a giflée.

- Hij berispte haar.
- Hij heeft haar berispt.

- Il la gronda.
- Il l'a grondée.

- Behandel haar goed!
- Zorg goed voor haar!

- Traite-la bien !
- Soigne-la bien !
- Occupe-toi bien d'elle !

- Ik hielp haar.
- Ik heb haar geholpen.

- Je l'aidai.
- Je l'ai aidée.

- Wij hielpen haar.
- Wij hebben haar geholpen.

- Nous l'aidâmes.
- Nous l'avons aidée.

- Zij hielpen haar.
- Zij hebben haar geholpen.

- Ils l'ont aidée.
- Elles l'ont aidée.

Ze legde haar handen op haar schouders.

Elle plaça ses mains sur ses épaules.

Iedereen houdt van haar en haar familie.

Tout le monde l'aime, elle, et sa famille.

- Val haar niet lastig.
- Stoor haar niet.

- Ne la dérange pas.
- Ne la dérangez pas.
- Ne la perturbez pas.
- Ne la perturbe pas.

- Niemand begrijpt haar.
- Niemand kan haar verstaan.

Personne ne la comprend.

Maria is haar haar aan het wassen.

Mary se lave les cheveux.

Maria trok haar shirt over haar hoofd.

Marie leva son t-shirt au-dessus de sa tête.

- Heb je haar gegoogeld?
- Hebben jullie haar gegoogeld?
- Heeft u haar gegoogeld?

L’as-tu cherchée sur Google ?

Met haar dochter van middelbare leeftijd naast haar

avec sa fille quinquagénaire dans le siège passager

...bevindt zich buiten haar brein, in haar armen.

ne sont pas dans son cerveau, mais dans ses bras.

Haar verloofde gaf haar een heel grote ring.

Son fiancé lui offrit une très grosse bague.

Ik hoor haar vaak over haar jeugd praten.

Je l'entends souvent se référer à son enfance.

Haar vrienden wachtten op haar bij de poort.

- Ses amis l'attendaient à la porte.
- Ses amies l'attendaient à la porte.

- Haar toespraak was uitmuntend.
- Haar speech was uitstekend.

- Son discours était excellent.
- Son discours fut excellent.

- Haar uitdrukking veranderde plots.
- Haar gezichtsuitdrukking veranderde plotseling.

Son expression a rapidement changé.

- Haar vader is Japanner.
- Haar vader is Japans.

Son père est japonais.

- Iedereen houdt van haar.
- Iedereen mag haar graag.

Tout le monde l'aime.

- Frans is haar moedertaal.
- Haar moedertaal is Frans.

Le français est sa langue maternelle.

- Haar moeder roept je.
- Haar moeder belt je.

Sa mère t'appelle.

- We zullen haar helpen.
- Wij zullen haar helpen.

Nous allons l'aider.

- Hij had grijs haar.
- Ik had grijs haar.

Il avait les cheveux gris.

- Ik hou van haar.
- Ik houd van haar.

Je l'aime.

- Dit is haar huis.
- Dat is haar huis.

C'est sa maison.

- Ze troost haar vader.
- Zij troost haar vader.

Elle console son père.

- Ik was bij haar.
- Ik was met haar.

J'étais avec elle.

- Laten we haar nomineren!
- Laten we haar benoemen!

Désignons-la !

- Haar lach was een leugen om haar droefheid te verbergen.
- Haar lach was een leugen die haar verdriet verborg.

Son rire était un mensonge qui dissimulait son chagrin.