Translation of "Bang" in Spanish

0.007 sec.

Examples of using "Bang" in a sentence and their spanish translations:

- Ze zijn bang.
- Zij zijn bang.

Tienen miedo.

- Wat maakte je bang?
- Wat heeft je bang gemaakt?
- Wat maakte u bang?
- Wat maakte jullie bang?
- Wat heeft u bang gemaakt?
- Wat heeft jullie bang gemaakt?

¿Qué te asustó?

- Ze waren bang voor je.
- Zij waren bang voor je.
- Ze waren bang voor u.
- Zij waren bang voor u.
- Ze waren bang voor jullie.
- Zij waren bang voor jullie.

Ellos te temían.

Iedereen was bang.

Todos estaban muy asustados.

Wees niet bang.

No tengas miedo.

Ik ben bang.

Estoy asustado.

Tom was bang.

Tom estaba aterrado.

Bent u bang?

¿Tienes miedo?

Je bent bang.

Tú tienes miedo.

Jullie zijn bang.

- Vosotros tenéis miedo.
- Usted tiene miedo.

Tom is bang.

Tom tiene miedo.

Ben je bang?

¿Tienes miedo?

- Ik ben van niets bang.
- Niets maakt me bang.
- Ik ben nergens bang voor.

- No tengo miedo de nada.
- No temo nada.

- Ik ben van niets bang.
- Niets maakt me bang.

- No le temo a nada.
- No temo nada.

- Ben je bang voor mij?
- Bent u bang voor mij?
- Zijn jullie bang voor mij?

¿Me tienes miedo?

- Jullie zijn bang voor hem.
- Jij bent bang voor hem.
- U bent bang voor hem.

- Le tienes miedo.
- Le tenéis miedo.
- Le tiene miedo.
- Le tienen miedo.

- Zij is nergens bang voor.
- Ze is nergens bang voor.

Ella no le teme a nada.

- Kikkers zijn bang voor slangen.
- Kikkers zijn bang van slangen.

Las ranas les temen a las serpientes.

- U bent bang voor hem.
- Ze zijn bang voor hem.

- Le tiene miedo.
- Le tienen miedo.

- Tom is bang van spinnen.
- Tom is bang voor spinnen.

A Tom le dan miedo las arañas.

Maar ze bang maken?

¿Pero asustarlos?

Niets maakt me bang.

- No le temo a nada.
- No temo nada.

Tom maakt me bang.

Tom me asusta.

Ik ben niet bang.

- No tengo miedo.
- No estoy asustado.

Horrorfilms maken me bang.

Me dan miedo las películas de terror.

Tom was heel bang.

Tom estaba muy espantado.

Tom maakte Maria bang.

Tom asustó a Mary.

Ik was heel bang.

Estaba muy asustado; estaba aterrorizado.

Wie is er bang?

¿Quién tiene miedo?

Het maakt me bang.

Me acojona.

Je maakt me bang.

Me das miedo.

- Ik ben bang voor het donker.
- Ik ben bang in het donker.

- Yo le temo a la oscuridad.
- Le tengo miedo a la oscuridad.

- Hij is bang voor de zee.
- Hij is bang van de zee.

Él le tiene miedo al mar.

- Ik ben bang voor wilde dieren.
- Ik ben bang van wilde dieren.

Tengo miedo de los animales salvajes.

Hoe minder bang ik was.

y menos miedo tenía.

Was ik niet meer bang.

y ya no tenía miedo.

Ze is bang voor onweer.

A ella le dan miedo los truenos.

Jij bent bang voor hem.

Le tienes miedo.

Ik ben bang voor beren.

- Tengo miedo a los osos.
- Los osos me dan miedo.

Je hebt me bang gemaakt!

¡Me asustaste!

Mary is bang voor spinnen.

María le teme a las arañas.

Ik ben niet meer bang.

Ya no tengo miedo.

Ze zijn bang voor hem.

Le tienen miedo.

Ben je bang voor Tom?

- ¿Le tienes miedo a Tom?
- ¿Tienes miedo de Tom?
- ¿Te da miedo Tom?

Hij is bang voor honden.

- Él tiene miedo de los perros.
- Él le teme a los perros.
- Él le tiene miedo a los perros.

Ik ben bang voor spinnen.

Le tengo miedo a las arañas.

Ze zijn bang voor ons.

Ellos nos tienen miedo.

Ze zijn bang voor Tom.

Tienen miedo de Tom.

Ik ben bang voor aardbevingen.

Me dan miedo los terremotos.

Ze is bang voor katten.

Ella teme a los gatos.

Ik ben voor niemand bang.

No le temo a nadie.

Ik ben bang voor Poetin.

Le tengo miedo a Putin.

Ik ben bang voor honden.

- Tengo miedo de los perros.
- Me dan miedo los perros.

Zij is nergens bang voor.

No le tiene miedo a nada.