Translation of "Heeft" in Spanish

0.008 sec.

Examples of using "Heeft" in a sentence and their spanish translations:

Heeft heeft succes in alles.

Él es exitoso en todo.

- Hij heeft longkanker.
- U heeft longkanker.
- Ze heeft longkanker.

Tiene cáncer de pulmón.

- Hij heeft niets.
- Ze heeft niets.

No tiene nada.

- Heeft u kinderen?
- Heeft hij kinderen?

¿Tiene hijos?

- Maria heeft hoofdpijn.
- Maria heeft koppijn.

María tiene dolor de cabeza.

- Tom heeft een keelontsteking.
- Tom heeft een keelamandelontsteking.
- Tom heeft tonsillitis.

Tom tiene amigdalitis.

- Tom heeft OCD.
- Tom heeft een dwangstoornis.

Tom tiene DOC.

Wie geschreven heeft, heeft twee keer gelezen.

Quien escribe, dos veces lee.

- Tom heeft het mis.
- Tom heeft ongelijk.

Tom está equivocado.

- Ze heeft geldproblemen.
- Ze heeft financiële problemen.

Ella tiene problemas de dinero.

- Wie heeft je gestuurd?
- Wie heeft u gestuurd?
- Wie heeft jullie gestuurd?

¿Quién te envió?

- Wie heeft je geslagen?
- Wie heeft u geslagen?
- Wie heeft jullie geslagen?

¿Quién te ha pegado?

- Heeft jouw land kernwapens?
- Heeft jullie land kernwapens?
- Heeft uw land kernwapens?

- ¿Tu país tiene armas nucleares?
- ¿Vuestro país posee armas nucleares?

- U heeft helemaal gelijk.
- Hij heeft volkomen gelijk.
- Zij heeft helemaal gelijk.

Tiene toda la razón.

- Heeft ze geld nodig?
- Heeft hij geld nodig?
- Heeft u geld nodig?

¿Necesita dinero?

- Heeft u een kredietkaart?
- Heeft u een creditcard?

- ¿Tiene una tarjeta de crédito?
- ¿Tiene tarjeta de crédito?

- Ze heeft hulp nodig.
- Hij heeft hulp nodig.

Ella necesita ayuda.

- Ze heeft weinig vrienden.
- Zij heeft weinig vrienden.

Ella tiene pocos amigos.

- Hij heeft twaalf zoons.
- Hij heeft twaalf kinderen.

- Él tiene doce hijos.
- Él tiene 12 hijos.

- Sara heeft eenendertig stiften.
- Sara heeft 31 pennen.

Sara tiene treinta y una plumas.

- Hij heeft zelfmoord gepleegd.
- Hij heeft zichzelf omgebracht.

Él se suicidó.

- Misschien heeft Tom gelijk.
- Tom heeft misschien gelijk.

- Tom puede estar en lo cierto.
- Puede que Tom tenga razón.
- Tom podría tener razón.

- Zij heeft twee zusters.
- Ze heeft twee zussen.

Ella tiene dos hermanas.

- Tom heeft geen creditcard.
- Tom heeft geen kredietkaart.

Tom no tiene tarjetas de crédito.

- Tom heeft spullen nodig.
- Tom heeft kleding nodig.

Tom necesita ropa.

- Tom heeft veel vrienden.
- Tom heeft veel vriendinnen.

- Tom tiene muchos amigos.
- Tom tiene muchas amigas.

- Zij heeft je nodig.
- Zij heeft u nodig.

Ella te necesita.

- Wie heeft Tom gedood?
- Wie heeft Tom vermoord?

¿Quién mató a Tom?

- Zij heeft geen vijanden.
- Ze heeft geen vijanden.

- Ella no tiene enemigo alguno.
- Ella no tiene enemigos.

- Zij heeft geld nodig.
- Ze heeft geld nodig.

Ella necesita dinero.

- Zij heeft je nodig.
- Hij heeft je nodig.

Te necesita.

- Natuurlijk, hij heeft gelijk.
- Natuurlijk heeft hij gelijk.

- Por supuesto, él tiene razón.
- Por supuesto que tiene razón.

- Wat heeft Tom meegebracht?
- Wat heeft Tom meegenomen?

¿Qué trajo Tom?

- Ze heeft grote borsten.
- Zij heeft grote borsten.

Ella tiene pechos grandes.

- Hij heeft goed geslapen.
- Ze heeft goed geslapen.

Durmió bien.

- Tom heeft geen mobieltje.
- Tom heeft geen gsm.

Tom no tiene celular.

- Tom heeft het verbeterd.
- Tom heeft het gecorrigeerd.

Tom lo corrigió.

- Wat heeft Jean gedaan?
- Wat heeft Jean gemaakt?

- ¿Qué hizo Jean?
- ¿Qué ha hecho Jean?

- Heeft Tom een tatoeage?
- Heeft Tom een tattoo?

¿Tom tiene un tatuaje?

- Zij heeft droog haar.
- Hij heeft droog haar.

Tiene el pelo seco.

- Hij heeft hulp nodig.
- Zij heeft hulp nodig.

Necesita ayuda.

- Zij heeft veel geld.
- Hij heeft veel geld.

- Él tiene mucho dinero.
- Tiene mucho dinero.

- Uiteindelijk heeft Tom bekend.
- Tom heeft eindelijk bekend.

Tom finalmente confesó.

- Ze heeft groene ogen.
- Hij heeft groene ogen.

Tiene ojos verdes.

- Het heeft veel gesneeuwd.
- Het heeft flink gesneeuwd.

Nevó mucho.

- Hij heeft het geprobeerd.
- Zij heeft het geprobeerd.

Lo intentó.

heeft mogen voegen.

unirse a su rey.

Heeft Bob gelijk?

- ¿Bob está bien?
- ¿Bob tiene razón?

Ze heeft stuiptrekkingen.

Ella tiene convulsiones.

Heeft hij broers?

¿Él tiene hermanos?

Iedereen heeft geheimen.

Todos tienen secretos.

Wat heeft ze?

¿Qué tiene ella?

Heeft hij gelijk?

- ¿Está bien?
- ¿Está él bien?
- ¿Se encuentra bien?
- ¿Ha acertado?
- ¿Está en lo cierto?
- ¿Es lo que él dice?

Tom heeft allergieën.

Tom tiene alergias.

Tom heeft oorpijn.

A Tom le duele el oído.

Tom heeft artritis.

Tom tiene artritis.

Tom heeft astma.

Tom tiene asma.

Ze heeft ongelijk.

- Ella no tiene la razón.
- Ella está equivocada.

Iedereen heeft gebreken.

Todos tienen defectos.

Heeft u honger?

- ¿Tiene usted hambre?
- ¿Usted tiene hambre?

Tom heeft gokschulden.

Tom tiene deudas de juego.

Hij heeft geboerd.

Él se tiró un chancho.

Niemand heeft gefaald.

Nadie ha sido suspendido.

Tom heeft huwelijksproblemen.

Tom tiene problemas maritales.

Tom heeft kanker.

Tom tiene cáncer.

Heeft u lucifers?

¿Usted tiene fósforos?

Tom heeft prostaatkanker.

Tom tiene cáncer de próstata.

Tom heeft heimwee.

- Tom tiene añoranza.
- Tom tiene morriña.
- Tom tiene nostalgia.

Hij heeft wijn.

Tiene vino.

Zij heeft wijn.

- Ella tiene vino.
- Tiene vino.

Ze heeft borstkanker.

Tiene cáncer de mama.

Tom heeft anorexia.

Tom es anoréxico.

Heeft Tom gebeld?

¿Ha llamado Tom?

Heeft u tijd?

¿Tiene tiempo?

Tom heeft verloren.

Tom perdió.