Translation of "Zijn" in Portuguese

0.085 sec.

Examples of using "Zijn" in a sentence and their portuguese translations:

Zijn schoenen zijn bruin.

Seus sapatos são marrons.

Zijn voorspellingen zijn uitgekomen.

Suas predições cumpriram-se.

Zijn ogen zijn blauw.

- Os olhos dele são azuis.
- Seus olhos são azuis.

Zijn sokken zijn grijs.

Suas meias são cinza.

Zijn benen zijn lang.

- As pernas dele são longas.
- As pernas dele são compridas.

Programmeertalen zijn zijn hobby.

- Linguagens de programação são o passatempo dele.
- Linguagens de programação são seu passatempo.

We zijn zijn kinderen.

Somos os filhos dele.

- Zijn beide ouders zijn dood.
- Zijn ouders zijn beiden al overleden.

Ambos os seus pais estão mortos.

- Haar ogen zijn blauw.
- Zijn ogen zijn blauw.

Os olhos dele são azuis.

- Ze zijn ongevaarlijk.
- Zij zijn ongevaarlijk.
- Ze zijn onschadelijk.
- Zij zijn onschadelijk.

- Eles são inofensivos.
- Elas são inofensivas.

- Het zijn zusters.
- Het zijn zussen.
- Ze zijn zusters.
- Zij zijn zusters.

- São irmãs.
- Elas são irmãs.

- Ze zijn onvolwassen.
- Ze zijn immatuur.
- Zij zijn onvolwassen.
- Zij zijn immatuur.

Eles são imaturos.

Zijn antennes zijn zo gevoelig...

Tem antenas tão sensíveis

Zijn foto's zijn erg bekend.

As fotos dele são bem famosas.

Zijn ouders zijn heel conservatief.

- Seus pais são muito conservadores.
- Os pais dele são muito conservadores.

Zijn beide ouders zijn dood.

Tanto a mãe como o pai dele estão mortos.

Zijn kinderen zijn groot geworden.

Seus filhos cresceram.

- Het zijn spionnen.
- Ze zijn spionnen.
- Zij zijn spionnen.

- Eles são espiões.
- Elas são espiãs.

- Toms ogen zijn blauw.
- Tom zijn ogen zijn blauw.

Os olhos de Tom são azuis.

- Deze zijn uitstekend.
- Ze zijn uitstekend.
- Zij zijn uitstekend.

- Estes são ótimos.
- Estas são ótimas.
- Estes são excelentes.
- Estas são excelentes.

Dat moet zijn grootste zorg zijn.

Acho que deve ser a maior preocupação dele.

- Zij zijn dokters.
- Zij zijn artsen.

- Elas são médicas.
- Eles são médicos.

- Daar zijn ze.
- Dat zijn ze.

Aí vêm eles.

- Ze zijn vegetariërs.
- Zij zijn vegetariërs.

- Eles são vegetarianos.
- Elas são vegetarianas.

- We zijn beschikbaar!
- We zijn vrij!

- Estamos livres!
- Somos livres!

Hoe oud zou zijn vader zijn?

Quantos anos seu pai deve ter?

- Ze zijn binnen.
- Zij zijn binnen.

Eles estão dentro.

- Waar zijn we?
- Waar zijn wij?

Onde estamos?

- Dat zijn cadeaus.
- Dat zijn geschenken.

Esses são presentes.

- Zij zijn zangers.
- Zij zijn zangeressen.

- Eles são cantores.
- São cantoras.

- Ze zijn weg.
- Zij zijn weg.

- Elas foram embora.
- Eles foram embora.
- Eles se foram.
- Elas se foram.

- Ze zijn duur.
- Zij zijn duur.

Eles são caros.

- Ze zijn klaar.
- Zij zijn klaar.

Eles estão prontos.

- Ze zijn uitgeput.
- Zij zijn uitgeput.

Eles estão exaustos.

- Ze zijn kwaadaardig.
- Zij zijn kwaadaardig.

- Eles são maus.
- Elas são más.

- Ze zijn vroeg.
- Zij zijn vroeg.

- Eles estão adiantados.
- Elas estão adiantadas.

- Ze zijn beneden.
- Zij zijn beneden.

Eles estão lá embaixo.

- Ze zijn anders.
- Zij zijn anders.

- Eles são diferentes.
- Elas são diferentes.

- Ze zijn stil.
- Zij zijn stil.

- Eles estão quietos.
- Eles estão em silêncio.
- Estão calados.
- Estão caladas.

- Ze zijn nieuw.
- Zij zijn nieuw.

Eles são novos.

- Ze zijn laat.
- Zij zijn laat.

Eles estão atrasados.

- Ze zijn kinderen.
- Zij zijn kinderen.

- São crianças.
- Eles são crianças.
- Elas são crianças.

- Het zijn idioten.
- Het zijn dwazen.

- São idiotas.
- São tolos.

- Ze zijn raar.
- Zij zijn raar.

Eles são estranhos.

- Ze zijn nutteloos.
- Zij zijn nutteloos.

Eles são inúteis.

- Ze zijn onvoorspelbaar.
- Zij zijn onvoorspelbaar.

Eles são imprevisíveis.

- We zijn weerloos.
- Wij zijn weerloos.

- Não temos defesa.
- Nós estamos indefesos.

- We zijn wanhopig.
- Wij zijn wanhopig.

- Estamos desesperados.
- Nós estamos desesperados.

- Wij zijn vriendinnen.
- Wij zijn vrienden.

- Somos amigos.
- Nós somos amigas.
- Somos amigas.

- We zijn journalisten.
- Wij zijn journalisten.

- Nós somos jornalistas.
- Somos jornalistas.

- Wij zijn rijk.
- We zijn rijk.

- Nós somos ricos.
- Nós somos ricas.

- Ze zijn bang.
- Zij zijn bang.

Eles estão com medo.

- Ze zijn veilig.
- Zij zijn veilig.

Eles estão seguros.

- Ze zijn onbetrouwbaar.
- Zij zijn onbetrouwbaar.

Eles não são confiáveis.

- Zijn ze weg?
- Zijn ze weggegaan?

- Eles se foram?
- Elas se foram?
- Eles foram embora?
- Elas foram embora?

- Wij zijn tuiniers.
- Wij zijn tuinmannen.

Somos jardineiros.

- Het zijn broers.
- Zij zijn broers.

Eles são irmãos.

- We zijn studenten.
- We zijn leerlingen.

- Somos estudantes.
- Nós somos estudantes.

- We zijn er!
- We zijn hier.

- Estamos aqui!
- Nós estamos aqui.

- Wij zijn Hongaars.
- Wij zijn Hongaren.

Nós somos húngaros.

- Het zijn broers.
- Zij zijn zusters.

- São irmãs.
- Elas são irmãs.

- We zijn verloren.
- We zijn verdwaald.

- Estamos perdidos.
- Estamos perdidas.

- Vrouwen zijn individuen.
- Vrouwen zijn personen.

Mulher é gente.

- We zijn mannen.
- Wij zijn mannen.

- Somos homens.
- Nós somos homens.

- Het zijn Russen.
- Zij zijn Russisch.

- Eles são russos.
- Elas são russas.

- Egels zijn alleseters.
- Egels zijn omnivoren.

Os ouriços são onívoros.

- We zijn er.
- We zijn hier.

Nós estamos aqui.

- We zijn getrouwd.
- Wij zijn getrouwd.

Estamos casados.

...zijn ontvangen.

... foram ouvidos.

Zijn overblijfselen.

os restos mortais dele,