Translation of "Zijn" in Hungarian

0.029 sec.

Examples of using "Zijn" in a sentence and their hungarian translations:

Zijn schoenen zijn bruin.

A cipője barna.

Zijn ogen zijn rood.

- Piros a szeme.
- Vörös a szeme.

Zijn ogen zijn blauw.

Kék a szeme.

Zijn benen zijn lang.

Hosszú lábai vannak.

Zijn tanden zijn geel.

Sárgák a fogai.

Zijn sokken zijn grijs.

A zoknija szürke.

Programmeertalen zijn zijn hobby.

A programnyelvek az ő hobbija.

- Haar ogen zijn blauw.
- Zijn ogen zijn blauw.

Kék a szeme.

- Ze zijn prachtig.
- Ze zijn schattig.
- Zij zijn schattig.
- Zij zijn prachtig.

Bájosak.

- Ze zijn ongevaarlijk.
- Zij zijn ongevaarlijk.
- Ze zijn onschadelijk.
- Zij zijn onschadelijk.

Ártalmatlanok.

- Het zijn zusters.
- Het zijn zussen.
- Ze zijn zusters.
- Zij zijn zusters.

- Testvérek.
- Nővérek.

Zijn antennes zijn zo gevoelig...

Csápjai annyira érzékenyek,

Zijn foto's zijn erg bekend.

A képei nagyon híresek.

Wij zijn met zijn drieën.

Hárman vagyunk.

- Het zijn spionnen.
- Ze zijn spionnen.
- Zij zijn spionnen.

Ők kémek.

- Toms ogen zijn blauw.
- Tom zijn ogen zijn blauw.

Tom szeme kék.

- Toms ogen zijn groen.
- Tom zijn ogen zijn groen.

Tom szeme zöld.

- Slakken zijn traag.
- Slakken zijn sloom.
- Slakken zijn langzaam.

A csigák lassúak.

- Zowel zijn vader als moeder zijn gestorven.
- Zijn vader en moeder zijn beiden dood.

- Apja és anyja meghalt.
- Mind az édesapja, mind az édesanyja elhunyt.

Dat moet zijn grootste zorg zijn.

Szerintem ez a legnagyobb problémája.

- Zij zijn dokters.
- Zij zijn artsen.

- Ők orvosok.
- Ők doktorok.

- Waar zijn we?
- Waar zijn wij?

Hol vagyunk?

- Ze zijn binnen.
- Zij zijn binnen.

Ők bent vannak.

Zijn gedachten tolden in zijn hoofd.

Fejében kavarognak a gondolatok.

- We zijn verloren.
- We zijn verdwaald.

Eltévedtünk.

- Zij zijn zangers.
- Zij zijn zangeressen.

Ők énekesek.

- We zijn omsingeld.
- We zijn omringd.

Körbevettek.

- Ze zijn weg.
- Zij zijn weg.

Elmentek.

- Ze zijn duur.
- Zij zijn duur.

Azok drágák.

- Ze zijn klaar.
- Zij zijn klaar.

Készen vannak.

- Ze zijn vertrokken.
- Zij zijn vertrokken.

Távoztak.

- Ze zijn veranderd.
- Zij zijn veranderd.

Megváltoztak.

- Ze zijn onbevreesd.
- Zij zijn onbevreesd.

- Ők bátrak.
- Vakmerők.
- Tökösek!

- Ze zijn fantastisch.
- Zij zijn fantastisch.

Ők mesések.

- Ze zijn uitgeput.
- Zij zijn uitgeput.

Ők kimerültek.

- Ze zijn uitstekend.
- Zij zijn uitstekend.

Ők kiválóak.

- Ze zijn kwaadaardig.
- Zij zijn kwaadaardig.

Ők gonoszak.

- Ze zijn overal.
- Zij zijn overal.

Mindenhol ott vannak.

- Ze zijn vroeg.
- Zij zijn vroeg.

Koraiak.

- Ze zijn beneden.
- Zij zijn beneden.

Az alsó szinten vannak.

- Ze zijn anders.
- Zij zijn anders.

- Eltérőek.
- Különbözőek.
- Másmilyenek.

- Ze zijn stil.
- Zij zijn stil.

Csendesek.

- Ze zijn aardig.
- Zij zijn aardig.

Ők kedvesek.

- Ze zijn nieuw.
- Zij zijn nieuw.

- Ők újak.
- Azok újak.

- Ze zijn laat.
- Zij zijn laat.

Elkéstek.

- Ze zijn kinderen.
- Zij zijn kinderen.

Ők gyerekek.

- Ze zijn geweldig.
- Zij zijn geweldig.

Ők nagyszerűek.

- Het zijn idioten.
- Het zijn dwazen.

Bolondok.

- Ze zijn raar.
- Zij zijn raar.

Ők furcsák.

- Ze zijn nutteloos.
- Zij zijn nutteloos.

Ők hasztalanok.

- Ze zijn onvoorspelbaar.
- Zij zijn onvoorspelbaar.

Kiszámíthatatlanok.

- We zijn wanhopig.
- Wij zijn wanhopig.

Kétségbe vagyunk esve.

- Wij zijn vriendinnen.
- Wij zijn vrienden.

- Barátok vagyunk.
- Ismerősök vagyunk.

- We zijn journalisten.
- Wij zijn journalisten.

Újságírók vagyunk.

- Wij zijn rijk.
- We zijn rijk.

Gazdagok vagyunk.

- We zijn avontuurlijk.
- Wij zijn avontuurlijk.

Merészek vagyunk.

- Ze zijn bang.
- Zij zijn bang.

Meg vannak ijedve.

- Ze zijn onbetrouwbaar.
- Zij zijn onbetrouwbaar.

Megbízhatatlanok.

- Zijn het criminelen?
- Zijn het misdadigers?

Ők bűnözők?

- Zijn ze weg?
- Zijn ze weggegaan?

Elmentek?

- Wij zijn tuiniers.
- Wij zijn tuinmannen.

Kertészek vagyunk.

- We zijn studenten.
- We zijn leerlingen.

Diákok vagyunk.

- We zijn er!
- We zijn hier.

Itt vagyunk.

- Wij zijn Hongaars.
- Wij zijn Hongaren.

Magyarok vagyunk.

- We zijn ervaren.
- Wij zijn ervaren.

Tapasztaltak vagyunk.

- Ze zijn vegetariërs.
- Zij zijn vegetariërs.

Ők vegetáriánusok.

- Ze zijn veilig.
- Zij zijn veilig.

Biztonságban vannak.

- Dat zijn cadeaus.
- Dat zijn geschenken.

Ezek ajándékok.

- Eendenkuikentjes zijn schattig.
- Babyeendjes zijn schattig.

Édesek a kiscsibék.

- We zijn mannen.
- Wij zijn mannen.

Férfiak vagyunk.

- Het zijn Russen.
- Zij zijn Russisch.

Ők oroszok.

- Egels zijn alleseters.
- Egels zijn omnivoren.

A sündisznók mindenevők.

zijn onvermijdelijk.

sem elkerülhetetlen.

zijn eindeloos.

végtelen lehetőségeket kínál.

...zijn ontvangen.

meghallja valaki.

Zijn overblijfselen.

a maradványait,

- Ze zijn vroeg vertrokken.
- Zij zijn vroeg vertrokken.
- Ze zijn vroeg weggegaan.
- Zij zijn vroeg weggegaan.

Korán távoztak.

- Het zijn neven en nichten.
- Ze zijn neven en nichten.
- Ze zijn neven.
- Het zijn neven.

Ők unokatestvérek.

- Ze zijn net vertrokken.
- Zij zijn net vertrokken.
- Ze zijn net weggegaan.
- Zij zijn net weggegaan.

- Épp most távoztak.
- Épp most mentek el.

- Zijn of niet zijn, daar gaat het om.
- Zijn of niet zijn, dat is de vraag.

Lenni vagy nem lenni, ez itt a kérdés.

- Waar zijn je spullen?
- Waar zijn jouw spullen?
- Waar zijn uw spullen?
- Waar zijn jullie spullen?

Hol vannak a dolgaid?

- Zijn dat jullie paarden?
- Zijn dit uw paarden?
- Zijn dit jouw paarden?
- Zijn dit jullie paarden?

Ezek az ön lovai?

- Te zijn of niet te zijn, dat is de kwestie.
- Zijn of niet zijn, daar gaat het om.
- Zijn of niet zijn, dat is de vraag.

- Lenni vagy nem lenni, ez itt a kérdés.
- Lenni vagy nem lenni: az itt a kérdés.