Translation of "Haar" in Spanish

0.029 sec.

Examples of using "Haar" in a sentence and their spanish translations:

Ze kamde met haar vingers haar haar.

Se peinó el pelo con los dedos.

Haar haar is lang.

Ella tiene el pelo largo.

Ze borstelt haar haar.

- Ella se está cepillando el pelo.
- Ella se está cepillando su pelo.

- Haar haar is lang.
- Zij heeft lang haar.

Ella tiene el pelo largo.

- Ze heeft haar geld, haar gezin en haar vrienden verloren.
- Ze heeft haar geld, haar familie en haar vrienden verloren.

Ella perdió su dinero, su familia, sus amigos.

- Stop haar!
- Hou haar tegen!

- ¡Paradla!
- ¡Párala!

Ze verfde haar haar blond.

Ella se tiñó de rubio.

De vrouw borstelt haar haar.

La mujer se cepilla el pelo.

- Vertrouw je haar?
- Vertrouwt u haar?
- Vertrouwen jullie haar?

¿Confías en ella?

- Dump haar.
- Stuur haar weg.
- Poeier haar af.
- Zorg dat je van haar afkomt.

¡Deshágase de ella!

Ze heeft haar geld, haar gezin en haar vrienden verloren.

Ella perdió su dinero, su familia, sus amigos.

Ze heeft haar geld, haar familie en haar vrienden verloren.

Ella ha perdido su dinero, a su familia y a sus amigos.

Hij gaf haar haar eerste kus.

Él le dio su primer beso.

Haar haar is lang en prachtig.

- Su cabello es largo y hermoso.
- Su pelo es largo y precioso.

Ze had haar haar kort geknipt.

- Ella se cortó el pelo.
- Se peluqueó su cabello corto.

Haar man bedriegt haar al jaren.

Su marido le engaña desde hace años.

Ik kuste haar op haar voorhoofd.

La besé en la frente.

Ze vond haar eerste grijze haar.

Se encontró la primera cana.

Haar zoon betekende alles voor haar.

Su hijo lo era todo para ella.

- Hij knuffelde haar.
- Hij omhelsde haar.

Él la abrazó.

Ik heb haar haar woordenboek teruggegeven.

Le devolví su diccionario.

Maria heeft haar haar niet gewassen.

Mary no se lavó el pelo.

- Negeer haar gewoon.
- Negeer haar maar.

Solo ignórala.

- Laat haar gaan!
- Laat haar los!

¡Déjala irse!

Hij houdt van haar haar, haar glimlach, haar ogen? Wow, hij kan verdomd goed liegen!

¿Él adora su cabello, su sonrisa, sus ojos? ¡Guau! ¡Miente condenadamente bien!

- Groet haar als ge haar ziet!
- Zeg hallo als je haar ziet.
- Doe haar de groeten als je haar ziet.

¡Salúdela si la ve!

Vergeet haar.

Olvídate de ella.

- Hij sloeg haar.
- Hij heeft haar geslagen.

Él le abofeteó a ella.

Iedereen in haar klas ziet haar graag.

A todos en su clase les gusta ella.

Kunt ge haar onderscheiden van haar zus?

¿Podés distinguirla de su hermana?

- Hij berispte haar.
- Hij heeft haar berispt.

- La retó.
- La increpó.
- Él la riñó.

- Behandel haar goed!
- Zorg goed voor haar!

¡Trátala bien!

- Ik hielp haar.
- Ik heb haar geholpen.

- La ayudé.
- Yo la ayudé.

- Wie hielp haar?
- Wie heeft haar geholpen?

¿Quién la ayudó?

- Wij hielpen haar.
- Wij hebben haar geholpen.

- La ayudamos.
- Nosotros la ayudamos.
- Nosotras la ayudamos.

- Zij hielpen haar.
- Zij hebben haar geholpen.

- La ayudaron.
- Ellos la ayudaron.
- Ellas la ayudaron.

Zeg haar dat ik van haar houd.

Díganle que la amo.

- Groet haar als ge haar ziet!
- Zeg hallo als je haar ziet.

¡Salúdela si la ve!

Met haar dochter van middelbare leeftijd naast haar

con su hija de mediana edad en el asiento del acompañante,

...bevindt zich buiten haar brein, in haar armen.

sucede fuera de su cerebro, en sus brazos.

Haar verloofde gaf haar een heel grote ring.

Su novio le dio un anillo muy grande.

Haar vrienden wachtten op haar bij de poort.

Sus amigos la esperaban a la puerta.

- Haar toespraak was uitmuntend.
- Haar speech was uitstekend.

Su discurso fue excelente.

- Haar uitdrukking veranderde plots.
- Haar gezichtsuitdrukking veranderde plotseling.

Su expresión sufrió un cambio repentino.

- Haar vader is Japanner.
- Haar vader is Japans.

- El padre de ella es japonés.
- Su padre es japonés.
- Su papá es japonés.

- Iedereen houdt van haar.
- Iedereen mag haar graag.

Todos la quieren.

- Ze liet haar gaan.
- Hij liet haar gaan.

La dejó ir.

- Frans is haar moedertaal.
- Haar moedertaal is Frans.

- El francés es su lengua materna.
- Su lengua materna es el francés.

Haar dokter wil haar naar een specialist verwijzen.

Su médico quiere mandarla a un especialista.

- Haar moeder roept je.
- Haar moeder belt je.

Su madre te llama.

- Zij heeft droog haar.
- Hij heeft droog haar.

Tiene el pelo seco.

- Hij had grijs haar.
- Ik had grijs haar.

Tenía el pelo gris.

- Ik hou van haar.
- Ik houd van haar.

La amo.

- Haar onhandigheid was onvoorstelbaar.
- Haar ongemak was onvoorstelbaar.

Su incomodidad fue extraña.

De moeder kamde het haar van haar dochter.

La madre le cepillaba el pelo a su hija.

- Dit is haar huis.
- Dat is haar huis.

- Ésta es su casa.
- Ésa es su casa.
- Esa es su casa.

Doe haar de groeten als je haar ziet.

¡Salúdela si la ve!

- Ze wast haar kleed.
- Ze wast haar jurk.

Ella lava su vestido.

- In plaats van haar ging haar zus mee met hen.
- Haar zus ging in haar plaats met hen mee.

Su hermana fue con ellos en su lugar.

De jongen streelde het meisje rond haar kin en kuste haar op haar wangen.

El niño acarició a la niña en el mentón y la besó en la mejilla.

Haar vinger bloedt.

Le sangra el dedo.

Hij helpt haar.

La ayuda.

Ik ken haar.

La conozco.

Maak haar wakker.

Despertala.

Laat haar los!

¡Déjala irse!