Translation of "Gaat" in French

0.039 sec.

Examples of using "Gaat" in a sentence and their french translations:

Je gaat.

Tu vas.

- Waarover gaat het?
- Waar gaat het over?

De quoi s’agit-il ?

- Hij gaat gaan slapen.
- Hij gaat slapen.

Il va dormir.

- Hoe gaat het?
- Hoe gaat het met je?
- Hoe gaat het ermee?
- Hoe gaat het met u?
- Hoe gaat het met jullie?

- Comment vas-tu ?
- Comment allez-vous ?
- Ça va ?
- Comment ça va ?
- Comment ça va ?

- Wat gaat het kosten?
- Hoeveel gaat het kosten?

Combien cela coûtera-t-il ?

- Het gaat misschien regenen.
- Misschien gaat het regenen.

Il se peut qu'il pleuve.

- Hoe gaat het?
- Hoe gaat het met je?

Comment vas-tu ?

- Het gaat sneeuwen vandaag.
- Het gaat vandaag sneeuwen.

Il va neiger aujourd'hui.

- Ze gaat naar Ooita.
- Zij gaat naar Ooita.

Elle va à Ooita.

- Voordat je gaat eten?
- Voordat u gaat eten?

- Avant que vous mangiez ?
- Avant que tu manges ?

Dit gaat daarop.

on enfonce ça là-dedans,

Dit gaat eromheen.

On passe ça autour,

Daar gaat hij.

On y va.

Iedereen gaat dood.

Tout le monde meurt.

Het gaat regenen.

Il va pleuvoir.

Hoe gaat ie?

Comment cela se passe-t-il ?

Tom gaat vooruit.

- Tom fait des progrès.
- Tom avance.

Dat gaat voorbij.

Ça va passer.

Het gaat geweldig!

Ça se passe gentiment !

Het gaat ontploffen.

- C'est sur le point d'exploser !
- Ça va exploser !

Tom gaat verliezen.

Tom va perdre.

Gaat u zitten.

- Asseyez-vous, s'il vous plaît.
- Veuillez vous asseoir.
- Prenez place, je vous prie !

Maria gaat langzaam.

Marie marche lentement.

Waarover gaat het?

- De quoi s'agit-il ?
- De quoi retourne-t-il ?
- À quel sujet est la question ?

Het gaat prima.

Je vais très bien.

Het gaat sneeuwen.

Il va neiger.

De deurbel gaat.

On sonne à la porte.

Hij gaat slapen.

Il va dormir.

Wie gaat ernaartoe?

Qui va là ?

Alles gaat voorbij.

Tout passe.

Iedereen gaat weg.

- Tout le monde s'en va.
- Tout le monde part.

Ze gaat door.

Elle continue.

Gaat u heen?

Tu vas partir ?

Tom gaat weg.

Tom part.

Het gaat voorbij.

Ça va passer.

Zij gaat langzaam.

Elle marche lentement.

Schoonheid gaat voorbij.

La beauté s'en va.

Hoe gaat het?

Comment ça va ?

Gaat het regenen?

Pleuvra-t-il ?

Gaat u mee?

Vous venez ?

Gaat u ook?

Irez-vous aussi ?

Gaat u zingen?

Chanterez-vous ?

Je gaat praten!

Tu vas parler !

- Je gaat het proberen.
- Je gaat een poging wagen.

Tu vas essayer.

- Hoe gaat het met je?
- Hoe gaat het ermee?

Comment ça va ?

- Het gaat te snel!
- Het gaat te snel voorbij!

Ça passe trop vite !

- Gaat het goed met jullie?
- Gaat het goed met je?
- Gaat het goed met u?

- Est-ce que tu vas bien ?
- Vous portez-vous bien ?
- Te portes-tu bien ?
- Vous allez bien ?
- Es-tu en bonne santé ?
- Êtes-vous en bonne santé ?

- Het gaat mij goed.
- Het gaat goed met mij.
- Mij gaat het goed.
- Ik ben in orde.
- Het gaat goed met me.

- Je vais bien.
- Je me porte bien.

- Het gaat mij goed.
- Het gaat goed met mij.
- Mij gaat het goed.
- Ik ben oké.

- Je vais bien.
- Ça va.

- Hoe gaat het met u?
- Hoe gaat het met jullie?

- Comment allez-vous ?
- Ça va ?
- Comment ça va ?

- De zon gaat weldra onder.
- De zon gaat zo onder.

- Le soleil est sur le point de se coucher.
- Le soleil va bientôt se coucher.

- Hij gaat naar de kleuterschool.
- Hij gaat naar de peuterspeelzaal.

Il va au jardin d'enfant.

- Hé, hoe gaat het met je?
- Hoi, hoe gaat het?

- Salut ! Comment ça va ?
- Salut ! Comment vas-tu ?

"Hoe gaat Jim naar school?" "Hij gaat met de bus."

« Comment Jim va-t-il à l'école ? » « Il y va en bus. »

- Naar waar gaat deze trein?
- Waar gaat deze trein naartoe?

- Vers où va ce train ?
- Où va ce train ?
- Où se dirige ce train ?
- Où ce train va-t-il ?
- Où va ce train ?

- Dat gaat je niks aan.
- Dat gaat je niets aan.

Ce ne sont pas tes affaires.

- Gaat het goed met jullie?
- Gaat het goed met u?

Allez-vous bien ?

De zon gaat onder.

Le soleil se couche.

Het gaat over kijken

Il s'agissait de regarder

Het gaat als volgt.

Elle se déroule ainsi.

gaat er niets veranderen.

rien ne changera,

Dat gaat niet werken.

Cela ne fonctionnera pas.

Plicht gaat voor alles.

Le devoir avant tout.

Soms gaat alles fout.

Parfois, tout va mal.

Bill gaat winnen, nietwaar?

Bill va gagner, n'est-ce pas ?

Slecht nieuws gaat snel.

Les mauvaises nouvelles ont des ailes.