Translation of "Gaan" in English

0.022 sec.

Examples of using "Gaan" in a sentence and their english translations:

- Ze mogen gaan.
- Ze kunnen gaan.
- Zij kunnen gaan.
- Zij mogen gaan.

They may go.

Vandaag gaan we gaan dansen.

- Today, we are going dancing.
- Today, we're going dancing.

- Zal je gaan?
- Zult u gaan?
- Zullen jullie gaan?

Will you go?

- Je mag gaan.
- Je kunt gaan.
- Je kan gaan.

- You may go.
- You can go.

- Je mag gaan.
- Jullie mogen gaan.
- U mag gaan.

- You may go.
- You can go.

- Dingen gaan stuk.
- Dingen gaan kapot.

Things break.

- Ze gaan komen.
- Zij gaan komen.

- They'll come.
- They will come.

- Kunnen we gaan?
- Mogen we gaan?

Can we go?

- Jullie mogen gaan.
- U mag gaan.

You may go.

- Je mag gaan.
- U mag gaan.

You may go.

- We gaan ervandoor.
- We gaan weg.

We're leaving.

- Hij wil gaan.
- Zij wil gaan.

He wants to go.

- Ik moet gaan.
- lk moet gaan.

- I've got to go.
- I have to go.
- I've gotta go.

- Laten we gaan!
- Laten we gaan.

Let's go!

We gaan.

Let's go!

Ze gaan.

- They are going.
- They're going.

Blijf gaan.

Keep going.

Gaan we?

Shall we go?

Dus we gaan vechten? Daar gaan we.

So, we're gonna fight? Okay, here we go.

- We gaan morgen vertrekken.
- We gaan morgen.

We are going to leave tomorrow.

We gaan je niet dood laten gaan.

We won't let you pass away.

- Wil je niet gaan?
- Wilt u niet gaan?
- Willen jullie niet gaan?

Don't you want to go?

- Zou ik moeten gaan?
- Zou hij moeten gaan?
- Zou ze moeten gaan?

- Ought I to go?
- Should I go?

- Wil je weg?
- Wil je gaan?
- Willen jullie gaan?
- Wilt u gaan?

Do you want to go?

- We gaan je niet dood laten gaan.
- We gaan je niet laten sterven.

We're not going to let you die.

- Ze is gaan shoppen.
- Ze is gaan winkelen.

She went shopping.

- Waar gaan jullie naartoe?
- Waar gaan jullie heen?

- Where are you going to?
- Where are you going?
- Where are you heading?
- Where're you going?
- Where are you guys going?

- Waar gaan we naartoe?
- Naar waar gaan we?

Where are we going?

- Ik wil daarheen gaan.
- Ik wil daarnaartoe gaan.

I want to go there.

- Ze liet haar gaan.
- Hij liet haar gaan.

She let her go.

- Moet ik onmiddellijk gaan?
- Moet ik nu gaan?

Do I have to go right now?

- Ze gaan hem vermoorden.
- Ze gaan hem doden.

They're going to kill him.

- U kan gaan zitten.
- Jullie kunnen gaan zitten.

You may sit.

- We gaan morgen winkelen.
- Morgen gaan we shoppen.

We're going shopping tomorrow.

- Ze gaan hem vermoorden!
- Ze gaan u vermoorden!

You’ll be killed!

- Waar gaan ze heen?
- Waar gaan ze naartoe?

Where are they going?

- Laten we gaan kitesurfen.
- Laten we gaan kiten.

Let's fly kites.

- Ze gaan u executeren.
- Ze gaan jullie executeren.

They're going to execute you.

We gaan verder.

Okay, keep moving forward.

Laten we gaan.

[whispering] Let's go.

Daar gaan we.

Okay, here we go. Whoo!

We gaan snel.

We're going fast! Whoa!

Oké, we gaan.

Okay, let's go.

Of we gaan...

Either we head...

Kom, we gaan.

Let's do this.

De slag gaan.'

the battle.’

Mag ik gaan?

Can I be excused?

Je moet gaan.

You have to go.

Ik moest gaan.

I had to go.

Ik moet gaan.

I should go.

We moeten gaan.

- We must go.
- We have to go.
- We need to go.
- We've got to go.

Wil je gaan?

Do you wish to go?

Laat Tom gaan.

Let Tom go.

Ik wil gaan.

- I want to go.
- I wanna go.

Je mag gaan.

- You may go there.
- You may go.
- You can go there.

U mag gaan.

- You may go there.
- You may go.
- You can go there.

Wie wil gaan?

Who wants to go?