Translation of "Gaan" in English

0.029 sec.

Examples of using "Gaan" in a sentence and their english translations:

- Ze mogen gaan.
- Ze kunnen gaan.
- Zij kunnen gaan.
- Zij mogen gaan.

They may go.

Vandaag gaan we gaan dansen.

- Today, we are going dancing.
- Today, we're going dancing.
- We're going dancing today.

- Zal je gaan?
- Zult u gaan?
- Zullen jullie gaan?

Will you go?

- Je mag gaan.
- Jullie mogen gaan.
- U mag gaan.

- You may go.
- You can go.

- Je mag gaan.
- Je kunt gaan.
- Je kan gaan.

- You may go.
- You can go.

- Ik moet gaan.
- lk moet gaan.

- I've got to go.
- I have to go.
- I've gotta go.

- We gaan ervandoor.
- We gaan weg.

- Let's go away.
- We're leaving.
- Let's leave.
- We're going.

- Dingen gaan stuk.
- Dingen gaan kapot.

Things break.

- Ze gaan komen.
- Zij gaan komen.

- They'll come.
- They will come.

- Kunnen we gaan?
- Mogen we gaan?

Can we go?

- Hij wil gaan.
- Zij wil gaan.

He wants to go.

- Jullie mogen gaan.
- U mag gaan.

You may go.

- Je mag gaan.
- U mag gaan.

You may go.

- Laten we gaan!
- Laten we gaan.

Let's go!

We gaan.

Okay, let's go.

Gaan we?

Shall we go?

Ze gaan.

- They are going.
- They're going.

Blijf gaan.

Keep going.

Dus we gaan vechten? Daar gaan we.

So, we're gonna fight? Okay, here we go.

- We gaan morgen vertrekken.
- We gaan morgen.

We are going to leave tomorrow.

We gaan je niet dood laten gaan.

We won't let you pass away.

- Wil je weg?
- Wil je gaan?
- Willen jullie gaan?
- Wilt u gaan?

Do you want to go?

- Wil je niet gaan?
- Wilt u niet gaan?
- Willen jullie niet gaan?

Don't you want to go?

- Zou ik moeten gaan?
- Zou hij moeten gaan?
- Zou ze moeten gaan?

- Ought I to go?
- Should I go?

- We gaan je niet dood laten gaan.
- We gaan je niet laten sterven.

We're not going to let you die.

- Ze is gaan shoppen.
- Ze is gaan winkelen.

- She has gone shopping.
- She went shopping.

- Waar gaan jullie naartoe?
- Waar gaan jullie heen?

- Where are you going to?
- Where are you going?
- Where are you heading?
- Where're you going?
- Where are you guys going?

- Waar gaan we naartoe?
- Naar waar gaan we?

Where are we going?

- Ik wil daarheen gaan.
- Ik wil daarnaartoe gaan.

I want to go there.

- Ze liet haar gaan.
- Hij liet haar gaan.

She let her go.

- Moet ik onmiddellijk gaan?
- Moet ik nu gaan?

Do I have to go right now?

- Ze gaan hem vermoorden.
- Ze gaan hem doden.

They're going to kill him.

- U kan gaan zitten.
- Jullie kunnen gaan zitten.

You may sit.

- We gaan morgen winkelen.
- Morgen gaan we shoppen.

We're going shopping tomorrow.

- Waar gaan ze heen?
- Waar gaan ze naartoe?

Where are they going?

- Ze gaan hem vermoorden!
- Ze gaan u vermoorden!

You’ll be killed!

- Laten we gaan kitesurfen.
- Laten we gaan kiten.

Let's fly kites.

- Ze gaan u executeren.
- Ze gaan jullie executeren.

They're going to execute you.

Daar gaan we.

There we go.

Laten we gaan.

Let's get moving!

De slag gaan.'

the battle.’

Of we gaan...

Either we head...

Kom, we gaan.

Let's do this.

Oké, we gaan.

Okay, let's get down.

We gaan snel.

We're going fast! Whoa!

We gaan verder.

Okay, keep moving forward.

Mag ik gaan?

Can I be excused?

Je moet gaan.

- It is necessary for you to go.
- You must go.

Ik zal gaan.

I'll go.

Laat me gaan!

Let me go!

Wilt u gaan?

- You want to go?
- Do you wish to go?

We moeten gaan.

We have to leave.

Ik moest gaan.

I had to go.

Ik moet gaan.

I should go.

Wil je gaan?

Do you wish to go?