Translation of "Kan" in English

0.023 sec.

Examples of using "Kan" in a sentence and their english translations:

- Hij kan lopen.
- Hij kan rennen.

He can run.

- Ik kan lopen.
- Ik kan rennen.

- I'm able to run.
- I can run.
- I can walk.

- Kan zij fietsen?
- Kan ze fietsen?

Can she ride a bicycle?

- Ze kan schaatsen.
- Ze kan skaten.

She is able to skate.

- Dat kan niet!
- Dat kan niet.

- That's impossible.
- It's not possible.

Kan ik?

Can I?

Ik kan.

I can.

Dat kan.

That is all right.

- Kan ik reserveren?
- Kan ik een reservering maken?
- Kan men een reservatie maken?
- Kan men reserveren?

Could I make a reservation?

- Ik kan het niet.
- Ik kan niet.

- I can't.
- I can not.

- Kan iemand even helpen?
- Kan iemand helpen?

- Can somebody help?
- Can anyone help?

- Roken kan dodelijk zijn.
- Roken kan doden.

Smoking can kill.

Het kan vriezen en het kan dooien.

It might freeze, it might thaw.

- Ik kan uitleggen.
- Ik kan het uitleggen.

I can explain.

- Ik kan het.
- Ik kan dit doen.

I can do this.

- Ik kan niet!
- Ik kan het niet!

I can't!

- Ja dat kan ik.
- Ja, ik kan.

Yes, I can.

Wie niet kan vragen, kan niet leven.

He that cannot ask cannot live.

- Ik kan niet komen.
- Ik kan niet.

- I can't.
- I can not.

- Kan het erger worden?
- Kan het erger?

Can it get worse?

- Ik kan je helpen.
- Ik kan jullie helpen.
- Ik kan u helpen.

I can help you.

- Niemand kan je helpen.
- Niemand kan u helpen.
- Niemand kan jullie helpen.

- No one can help you.
- Nobody can help you.

- Ik kan je beschermen.
- Ik kan u beschermen.
- Ik kan jullie beschermen.

I can protect you.

- Ik kan het niet.
- Ik kan niet.
- Ik kan het niet doen.

- I can't do it.
- I cannot do it.
- I can't do it!

- Kan ik u helpen?
- Kan ik je helpen?
- Kan ik jullie helpen?

Can I help you?

- Dat kan niet waar zijn.
- Dit kan onmogelijk waar zijn.
- Dit kan niet kloppen.
- Dat kan niet kloppen.

- That can't be true.
- That cannot be true.
- It can not be true.
- It can't be true.
- That can't possibly be true.

- Dat kan niet waar zijn.
- Dit kan niet kloppen.
- Dat kan niet kloppen.
- Dit kan niet juist zijn.

- That can't be true.
- That cannot be true.
- It cannot be true.
- It can not be true.
- It can't be true.
- This can't be true.
- This can't be right.
- That can't be right.

- Dat kan niet.
- Dat kan niet zo zijn.

- That can't be.
- That can't be!

- Het avondeten kan wachten.
- Het diner kan wachten.

Dinner can wait.

- Ik kan niets zien.
- Ik kan niet zien.

I can't see!

- Ze kan Japans spreken.
- Hij kan Japans spreken.

- He is able to speak Japanese.
- He's able to speak Japanese.

- Hij kan snel zwemmen.
- Ze kan snel zwemmen.

He can swim fast.

- Mijn grootmoeder kan vliegen.
- Mijn oma kan vliegen.

My grandmother can fly.

- Tom kan nergens heen.
- Tom kan nergens naartoe.

- Tom has nowhere to go.
- Tom has got nowhere to go.

- Niemand kan u helpen.
- Niemand kan jullie helpen.

- No one can help you.
- Nobody can help you.

- Misschien kan Tom helpen.
- Tom kan misschien helpen.

Maybe Tom could help.

- Niets kan ons tegenhouden.
- Niets kan ons stoppen.

Nothing can stop us.

- Het kan gevaarlijk zijn.
- Dat kan gevaarlijk zijn.

- It can be dangerous.
- That can be dangerous.
- It might be dangerous.
- That may be dangerous.
- It may be dangerous.

- Hij kan niet zwemmen.
- Ze kan niet zwemmen.

He doesn't know how to swim.

- Hij kan spoken zien.
- Hij kan geesten zien.

He can see ghosts.

- Dit kan niet waar zijn.
- Dat kan niet kloppen.
- Dat kan niet juist zijn.
- Dat kan niet correct zijn.

- That can't be true.
- That cannot be true.
- It cannot be true.
- It can not be true.
- It can't be true.
- This can't be true.
- This can't be right.
- That can't be right.

- Ik kan het niet verdragen.
- Ik kan dat niet tolereren.
- Ik kan er niet tegen.
- Dat kan ik niet accepteren.
- Dat kan ik niet tolereren.

- I cannot stomach it.
- I can't tolerate that.

Hoe kan dat?

How is this possible?

Hij kan zwemmen.

- He can swim.
- He knows how to swim.

Hij kan autorijden.

He knows how to drive a car.

Ik kan springen.

I can jump.

Ik kan paardrijden.

I can ride a horse.

Dat kan niet!

- It can't be!
- This is impossible!
- That's not possible.
- That is not possible.

Ik kan skiƫn.

- I can ski.
- I'm able to ski.
- I know how to ski.

Kan je pianospelen?

- Can you play the piano?
- Do you know how to play the piano?

Ik kan tennissen.

I can play tennis.

Ik kan zwemmen.

- I'm able to swim.
- I can swim.

Ik kan liefhebben.

I can love.

Tom kan voetballen.

Tom is able to play soccer.

Hij kan vliegen.

- He is capable of stealing.
- He is able to fly.

Tom kan zwemmen.

Tom can swim.

Tom kan koken.

Tom can cook.

Hij kan rijden.

He can drive a car.

Evenmin kan ik.

Me neither.

Ik kan lopen.

I'm able to run.

Mary kan zwemmen.

Mary can swim.

Ik kan rijden.

I can drive.

Ik kan vliegen.

I can fly.

Kan ik helpen?

Can I help?

Dat kan niet.

- That's not possible.
- It's not possible.
- That isn't possible.

Madonna kan zingen.

Madonna is able to sing.

Ik kan het.

- I can do it.
- I can do this.

Kan je komen?

Can you come?

Ik kan autorijden.

- I am able to drive a car.
- I can drive a car.

Kan hij pianospelen?

Can he play the piano?

Hij kan lopen.

He can walk.

Kan ik eten?

- Can I eat?
- May I eat?