Translation of "Kan" in English

0.017 sec.

Examples of using "Kan" in a sentence and their english translations:

- Kan zij fietsen?
- Kan ze fietsen?

Can she ride a bicycle?

- Hij kan lopen.
- Hij kan rennen.

He can run.

- Ze kan schaatsen.
- Ze kan skaten.

She can skate.

- Ik kan lopen.
- Ik kan rennen.

I'm able to run.

- Dat kan niet!
- Dat kan niet.

- That's impossible.
- It's not possible.

Kan ik?

- May I?
- Can I?

Ik kan.

I can.

Dat kan.

That is all right.

- Kan ik reserveren?
- Kan ik een reservering maken?
- Kan men een reservatie maken?
- Kan men reserveren?

Could I make a reservation?

- Ja dat kan ik.
- Ja, ik kan.

Yes, I can.

- Kan iemand even helpen?
- Kan iemand helpen?

- Can somebody help?
- Can anyone help?

- Ik kan het niet.
- Ik kan niet.

- I can't do it.
- I can't.

- Roken kan dodelijk zijn.
- Roken kan doden.

Smoking can kill.

Het kan vriezen en het kan dooien.

It might freeze, it might thaw.

- Ik kan niet komen.
- Ik kan niet.

- I can't.
- I can not.

Wie niet kan vragen, kan niet leven.

He that cannot ask cannot live.

- Ik kan uitleggen.
- Ik kan het uitleggen.

I can explain.

- Ik kan het.
- Ik kan dit doen.

I can do this.

- Ik kan niet!
- Ik kan het niet!

I can't!

- Kan het erger worden?
- Kan het erger?

Can it get worse?

- Ik kan het niet.
- Ik kan niet.
- Ik kan het niet doen.

- I can't do it.
- I cannot do it.
- I can't do it!

- Ik kan je helpen.
- Ik kan jullie helpen.
- Ik kan u helpen.

I can help you.

- Niemand kan je helpen.
- Niemand kan u helpen.
- Niemand kan jullie helpen.

- No one can help you.
- Nobody can help you.

- Kan ik u helpen?
- Kan ik je helpen?
- Kan ik jullie helpen?

Can I help you?

- Ik kan je beschermen.
- Ik kan u beschermen.
- Ik kan jullie beschermen.

I can protect you.

- Dat kan niet waar zijn.
- Dit kan onmogelijk waar zijn.
- Dit kan niet kloppen.
- Dat kan niet kloppen.

- That can't be true.
- That cannot be true.
- It can not be true.
- It can't be true.
- That can't possibly be true.

- Dat kan niet waar zijn.
- Dit kan niet kloppen.
- Dat kan niet kloppen.
- Dit kan niet juist zijn.

- That can't be true.
- That cannot be true.
- It cannot be true.
- It can not be true.
- It can't be true.
- This can't be true.
- This can't be right.
- That can't be right.

- Hij kan niet zwemmen.
- Ze kan niet zwemmen.

He doesn't know how to swim.

- Hij kan snel zwemmen.
- Ze kan snel zwemmen.

He can swim fast.

- Ze kan Japans spreken.
- Hij kan Japans spreken.

- He is able to speak Japanese.
- He's able to speak Japanese.

- Mijn grootmoeder kan vliegen.
- Mijn oma kan vliegen.

My grandmother can fly.

- Het kan gevaarlijk zijn.
- Dat kan gevaarlijk zijn.

- It can be dangerous.
- That can be dangerous.
- It might be dangerous.
- That may be dangerous.
- It may be dangerous.

- Niets kan ons tegenhouden.
- Niets kan ons stoppen.

Nothing can stop us.

- Tom kan nergens heen.
- Tom kan nergens naartoe.

- Tom has nowhere to go.
- Tom has got nowhere to go.

- Misschien kan Tom helpen.
- Tom kan misschien helpen.

Maybe Tom could help.

- Ik kan niets zien.
- Ik kan niet zien.

- I can't see!
- I can't see.

- Niemand kan u helpen.
- Niemand kan jullie helpen.

- No one can help you.
- Nobody can help you.

- Het avondeten kan wachten.
- Het diner kan wachten.

Dinner can wait.

- Dat kan niet.
- Dat kan niet zo zijn.

- That can't be.
- That can't be!

- Hij kan spoken zien.
- Hij kan geesten zien.

He can see ghosts.

- Dit kan niet waar zijn.
- Dat kan niet kloppen.
- Dat kan niet juist zijn.
- Dat kan niet correct zijn.

- That can't be true.
- That cannot be true.
- It cannot be true.
- It can not be true.
- It can't be true.
- This can't be true.
- This can't be right.
- That can't be right.

Hoe kan dat?

How is this possible?

Kan je pianospelen?

- Can you play the piano?
- Do you know how to play the piano?

Bob kan koken.

Bob can cook.

Mayiko kan fietsen.

Mayuko can ride a bicycle.

Mary kan zwemmen.

Mary can swim.

Kan je komen?

- Can you come?
- Do you think that you can come?
- Do you think you can come?

Kan ze fietsen?

Can she ride a bicycle?

Hij kan autorijden.

He knows how to drive a car.

Hij kan zwemmen.

- He can swim.
- He knows how to swim.

Ik kan paardrijden.

I can ride a horse.

Ik kan springen.

I can jump.

Kan ik helpen?

Can I help?

Ik kan lopen.

- I'm able to run.
- I can run.

Madonna kan zingen.

Madonna is able to sing.

Hij kan lezen.

He can read.

Dat kan niet.

This is impossible!

Kan noten bevatten.

May contain nuts.

Ik kan zwemmen.

I can swim.

Ik kan niet.

- I can't.
- I can not.

Ik kan rennen.

I can run.

Tom kan zwemmen.

Tom can swim.

Kan zij fietsen?

Can she ride a bicycle?

Tom kan autorijden.

Tom is able to drive a car.

Iedereen kan spelen.

Everyone can play.

Kan ik eten?

Can I eat?

Kan het wachten?

- Can it wait?
- Can this wait?

Ik kan autorijden.

- I am able to drive a car.
- I can drive a car.

Kan iemand rijden?

Can anyone drive?

Ik kan skiƫn.

I can ski.

Dat kan niet!

- It can't be!
- This is impossible!
- This can't be!

Dat kan wachten.

That can wait.