Translation of "Zij" in English

0.020 sec.

Examples of using "Zij" in a sentence and their english translations:

- Zij vlogen.
- Zij stalen.

- They flew.
- They were flying.
- They stole.
- They were stealing.

Zij?

Her?

Zij weten wie zij is.

They know who she is.

- Zij zijn dokters.
- Zij zijn artsen.

- They are doctors.
- They're doctors.

- Zij is onhandig.
- Zij is onbeholpen.

She is awkward.

- Zij zijn zangers.
- Zij zijn zangeressen.

They are singers.

- Zij is gek.
- Zij is gestoord.

She's nuts.

- Begrijpt zij Italiaans?
- Verstaat zij Italiaans?

Does she understand Italian?

Zij rent.

She runs.

Zij wonnen.

They won.

Zij wacht.

- He is waiting.
- She is waiting.
- She's waiting.
- He's waiting.

Zij stemden.

They voted.

Zij versnelden.

They accelerated.

Zij sliep.

She slept.

Zij skiƫn.

They ski.

Zij las.

She was reading.

Zij versnelde.

She accelerated.

Zij werkte.

She worked.

Zij begon.

- She started it.
- She was the one that started it.

Zij douchte.

She showered.

Zij rennen.

They run.

Zij zijn.

They are.

Zij roken.

They smoke.

Zij zoenden.

They kissed.

Bestaat zij?

- Does he exist?
- Does she exist?

Zij kocht.

She bought.

Zij doucht.

She showers.

Zij bad.

She prayed.

Zij blafte.

She barked.

Zij blaften.

They barked.

Zij wachtte.

She waited.

Zij landde.

She landed.

- Zij?
- Haar?

Her?

Zij rookt.

She's smoking.

Zij drinkt.

She drinks.

Zij getuigden.

They testified.

Rookt zij?

Does she smoke?

- Zij is onze docent.
- Zij is onze lerares.
- Zij is onze juf.
- Zij is onze leraar.

She's our teacher.

- Zij blikken vis in.
- Zij kunnen vissen.

They can fish.

- Zij hielp ons.
- Zij heeft ons geholpen.

She helped us.

- Zij hielpen ons.
- Zij hebben ons geholpen.

They helped us.

- Zij waren aan het eten.
- Zij aten.

They were eating.

- Zij hebben het mis.
- Zij zitten ernaast.

- They're wrong.
- They are wrong.

- Zij hielpen Tom.
- Zij hebben Tom geholpen.

They helped Tom.

- Zij is zangeres.
- Zij is een zanger.

She is a singer.

- Zij hielpen hem.
- Zij hebben hem geholpen.

They helped him.

- Zij hielpen haar.
- Zij hebben haar geholpen.

They helped her.

- Zij is een skilerares.
- Zij is skilerares.

She's a ski instructor.

- Zij hielp Tom.
- Zij heeft Tom geholpen.

She helped Tom.

- Zij hielp mij.
- Zij heeft mij geholpen.

She helped me.

- Zij kocht brood.
- Zij heeft brood gekocht.

She bought bread.

- Zij rookt.
- Zij is aan het roken.

She's smoking.

- Zij aten samen.
- Zij hebben samen gegeten.

They ate together.

"Vrede zij u." "Vrede zij u ook."

"Peace be upon you." "Peace be upon you, too."

Zij kunnen uitrusten zolang als zij willen.

They can rest as long as they want to.

- Zij was lichtgelovig.
- Zij had blauwe ogen.

She was naive.

- Zij zal begrijpen.
- Zij zal het begrijpen.

She'll understand.

- Zij heeft het beloofd.
- Zij beloofde het.

She promised.

- Is zij uw moeder?
- Is zij jouw moeder?
- Is zij jullie moeder?

Is she your mother?

- Zij is jouw koningin.
- Zij is uw koningin.
- Zij is jullie koningin.

She is your queen.

- Zij is mijn zuster.
- Zij is mijn zus.

- She is my elder sister.
- She's my older sister.
- She's my sister.

- Zij is erg talentvol.
- Zij is heel bekwaam.

- She's very talented.
- She is very talented.

- Zij heeft je nodig.
- Zij heeft u nodig.

She needs you.

Als zij begint te discussiƫren, barst zij los.

- The moment he starts to argue, he explodes.
- The moment she starts to argue, she explodes.