Translation of "Kan" in Polish

0.035 sec.

Examples of using "Kan" in a sentence and their polish translations:

- Ze kan schaatsen.
- Ze kan skaten.

Ona potrafi jeździć na deskorolce.

Ik kan.

Mogę.

Kan ik?

Mogę?

- Ik kan het niet.
- Ik kan niet.

Nie mogę.

- Ik kan het.
- Ik kan dit doen.

Mogę to zrobić.

- Ik kan niet!
- Ik kan het niet!

Nie mogę!

- Ja dat kan ik.
- Ja, ik kan.

Tak, mogę.

- Ik kan niet komen.
- Ik kan niet.

Nie mogę.

- Ik kan het niet.
- Ik kan niet.
- Ik kan het niet doen.

Nie mogę tego zrobić.

- Kan ik u helpen?
- Kan ik je helpen?
- Kan ik jullie helpen?

- Czy mogę Ci pomóc?
- Czy mogę ci pomóc?

- Ze kan Japans spreken.
- Hij kan Japans spreken.

On umie mówić po japońsku.

- Misschien kan Tom helpen.
- Tom kan misschien helpen.

Może Tom mógłby pomóc.

- Het kan gevaarlijk zijn.
- Dat kan gevaarlijk zijn.

To może być niebezpieczne.

Hoe kan dat?

Jak to możliwe?

Hij kan zwemmen.

On umie pływać.

Hij kan autorijden.

On umie prowadzić samochód.

Ik kan tennissen.

Umiem grać w tenisa.

Ik kan liefhebben.

Umiem kochać.

Mary kan zwemmen.

- Mary umie pływać.
- Mary potrafi pływać.

Ik kan het.

Mogę to zrobić.

Ik kan autorijden.

Potrafię prowadzić samochód.

Kan je pianospelen?

Czy umiesz grać na pianinie?

Ik kan niet.

Nie mogę.

Tom kan zwemmen.

Tomasz umie pływać.

Goedkoper kan niet.

Taniej się nie da.

Kan Tom koken?

- Czy Tom potrafi gotować?
- Czy Tom umie gotować?

Kan ik beginnen?

Czy mogę zacząć?

Kan ik eten?

Mogę już jeść?

Bob kan koken.

Bob umie gotować.

Ik kan paardrijden.

Potrafię jeździć konno.

Kan je komen?

- Czy możesz przyjść?
- Będziesz mógł przyjść?

Ik kan wachten.

Mogę poczekać.

Dat kan niet!

- To niemożliwe!
- Nie może być!

Hij kan lezen.

On umie czytać.

Kan ik helpen?

Czy mogę pomóc?

Kan je naaien?

Czy umiesz szyć?

Ik kan niet!

Nie mogę!

Kan je lezen?

Potrafisz czytać?

Ik kan zingen.

Potrafię śpiewać.

Tom kan koken.

Tom umie gotować.

Tom kan spreken.

Tom może mówić.

- Je kan helpen.
- U kan helpen.
- Jullie kunnen helpen.

Możesz pomóc.

- Ik kan me niet bewegen.
- Ik kan niet bewegen.

Nie mogę się ruszać.

- Kan ik jouw schaar lenen?
- Kan ik uw schaar lenen?
- Kan ik jullie schaar lenen?

Czy mogę pożyczyć twoje nożyczki?

- Ik kan op u wachten.
- Ik kan op je wachten.
- Ik kan op jullie wachten.

Mogę na ciebie poczekać.

- Waarmee kan ik u helpen?
- Met wat kan ik u helpen?
- Hoe kan ik u helpen?

Czym mogę ci pomóc?

- Hij kan goed Frans praten.
- Hij kan goed Frans spreken.

On umie dobrze mówić po francusku.

- Het kan niet waar zijn.
- Dat kan niet waar zijn.

To nie może być prawda.

- Hij kan ieder moment komen.
- Hij kan ieder moment aankomen.

On może przyjść w każdej chwili.

- Ik kan het moeilijk geloven.
- Ik kan het nauwelijks geloven.

Trudno mi w to uwierzyć.

- Op hem kan gerekend worden.
- Op hem kan je vertrouwen.

- Można mu zaufać.
- Można na nim polegać.

- Dat kan ik niet uitsluiten.
- Ik kan dat niet uitsluiten.

Nie mogę tego wykluczyć.

- Iedereen kan fouten maken.
- Iedereen kan wel een foutje maken.

Każdy się może pomylić.

- Ik kan zonder bril lezen.
- Ik kan lezen zonder bril.

Mogę czytać bez okularów.

- Ik kan je amper verstaan.
- Ik kan u nauwelijks horen.

Prawię cię nie słyszę.

- Ik kan niet meer wachten.
- Ik kan niet langer wachten.

Nie mogę dłużej czekać.

- Ik kan je niet helpen.
- Ik kan jullie niet helpen.

Nie potrafię ci pomóc.

- Ik kan geen schoenen dichtrijgen.
- Ik kan geen schoenen dichtbinden.

Nie mogę zawiązać butów.

Je kan je afvragen

Zastanawiające,

...kan het gezin eten.

rodzina może ucztować.

...kan hij ze doden.

może je zabić.

...die amper kan zien.

który ledwo widzi.

Ze kan beter gaan.

Lepiej ruszyć dalej.

...kan een zegen zijn.

nie jest takie złe.

Uitglijden kan fataal zijn.

Upadek może być śmiertelny.

Ik kan haar horen.

Słyszę ją.

...kan een groep overmeesteren.

może pokonać stado.

Ze kan het ruiken.

Potrafi ją wywęszyć.

Hij kan niet tellen.

On nie umie liczyć.

Zij kan Spaans spreken.

Ona umie po hiszpańsku.

Ik kan niet opstaan.

Nie mogę wstać.

Kan je morgen komen?

Możesz przyjść jutro?

Tom kan niet zwemmen.

Tom nie umie pływać.

Ik kan Chopin spelen.

Potrafię zagrać Chopina.

Ik kan niet vliegen.

Nie umiem latać.

Een vogel kan vliegen.

Ptak może latać.

Ik kan niets zien.

Nic nie widzę.

Wie kan mij helpen?

Kto mi pomoże?

Kan hij Engels spreken?

Czy on mówi po angielsku?

Ik kan niet zwemmen.

Nie umiem pływać.

Hij kan goed rijden.

On dobrze prowadzi.