Translation of "Hij" in Portuguese

0.015 sec.

Examples of using "Hij" in a sentence and their portuguese translations:

- Hij weifelde voordat hij antwoordde.
- Hij aarzelde voordat hij antwoordde.

Ele hesitou antes de responder.

- Hij spreekt alsof hij alles weet.
- Hij praat alsof hij alles weet.

- Ele fala como se soubesse tudo.
- Fala como se soubesse tudo.
- Ele fala como se soubesse de tudo.

- Hij speelde vals.
- Hij bedroog.

Ele estava trapaceando.

Hij weet wat hij doet.

Ele sabe o que está fazendo.

Hij zegt wat hij denkt.

Ele fala de maneira franca.

Hij weifelde voordat hij antwoordde.

Ele hesitou antes de responder.

- Hij hoestte.
- Hij heeft gehoest.

Ele tossiu.

Hij sliep waar hij stond.

Ele adormeceu onde estava.

- Hij werd kwaad.
- Hij werd woedend.
- Hij werd razend.

Ele ficou furiosíssimo.

- Hij is hier!
- Daar is hij!
- Hier is hij!

Aqui está ele!

- Zodra hij mij zag, liep hij weg.
- Hij rende weg zodra hij mij zag.

Quando me viu, saiu correndo.

Hij zei dat hij zou komen, en hij is gekomen.

Ele disse que viria e veio.

- Hij is zelf gekomen.
- Hij kwam zelf.
- Hij kwam persoonlijk.

- Ele veio em pessoa.
- Ele veio pessoalmente.

- Hij gaf het op.
- Hij nam ontslag.
- Hij trad af.

Ele renunciou.

Hij was uitgeput toen hij thuiskwam.

- Ele estava exausto quando chegou em casa.
- Ele estava esgotado quando chegou em casa.

- Hij spreekt goed.
- Hij praat goed.

Ele fala bem.

- Hij wreekte zich.
- Hij nam weerwraak.

Ele se vingou.

Hij praat alsof hij alles weet.

Ele fala como se soubesse tudo.

Hij zei dat hij arm was.

Ele disse que era pobre.

- Hij is vriendelijk.
- Hij is aardig.

Ele é generoso.

- Hij stond op.
- Hij ging staan.

Ele pôs-se de pé.

- Hij heeft opgehangen.
- Hij hing op.

Ele desligou.

- Hij is ingedommeld.
- Hij dommelde in.

Ele adormeceu.

- Hij speelt daar.
- Daar speelt hij.

- Ele está brincando lá.
- Ele está jogando lá.

- Hij studeert Chinees.
- Hij leert Chinees.

Ele estuda chinês.

- Hij kan komen.
- Hij mag komen.

Ele pode vir.

- Hij slaapt waarschijnlijk.
- Waarschijnlijk slaapt hij.

- Ele provavelmente está dormindo.
- Provavelmente ele está dormindo.

Hij weet zeker dat hij komt.

Ele tem certeza de que virá.

Hij kan doen wat hij wil!

Ele pode fazer o que quiser!

- Hij is weggelopen.
- Hij is weggerend.

Ele fugiu.

- Hij is fotograaf.
- Hij is beroepsfotograaf.

- Ele é fotógrafo.
- Ele é um fotógrafo.

- Hij is leraar.
- Hij is onderwijzer.

Ele é professor.

- Hij is slim.
- Hij is intelligent.

Ele é inteligente.

Hij zei dat hij zou komen.

- Ele disse que virá.
- Ele disse que viria.
- Ele disse que vem.

- Hij verafschuwt spinnen.
- Hij haat spinnen.

Ele odeia aranhas.

- Waar is hij?
- Waar zit hij?

- Cadê ele?
- Onde ele está?
- Onde está ele?

- Hij wordt ouder.
- Hij wordt oud.

Ele está envelhecendo.

- Hij knuffelde haar.
- Hij omhelsde haar.

Ele a abraçou.

- Is hij lang?
- Is hij groot?

- Ele é alto?
- É alto?

Wanneer hij praat, gebaart hij veel.

Quando fala ele gesticula muito.

- Hij ontwijkt mij.
- Hij mijdt mij.

- Ele evita-me.
- Ele me evita.

- Hij is overleden.
- Hij is dood

Ele está morto.

- Hij is homo.
- Hij is gay.

Ele é gay.

Hij liep zo snel hij kon.

Ele correu o mais rápido que pôde.

Hij liegt dat hij zwart ziet.

Ele mente tanto, que as paredes estalam.

- Hij werd geïrriteerd.
- Hij raakte geïrriteerd.

Ele ficou irritado.

- Hij koopt medicijnen.
- Hij koopt medicamenten.

Ele compra medicamentos.

- Hij zal terugkomen.
- Hij komt terug.

Ele voltará.

- Hij moet sterven.
- Hij moet dood.

Ele deve morrer.

Hij doet alleen wat hij wil.

Ele só faz o que quer.

Hij lachte.

Ele estava rindo.

Hij probeert.

Ele tenta.

Hij leest.

Ele lê.

Ademt hij?

Ele está respirando?

Hij zweeg.

Ele ficou em silêncio.

Hij glimlachte.

Ele sorriu.

Hij eet.

Ele come.

Komt hij?

- Virá ele?
- Ele vem?
- Ele virá?
- Será que ele vem?

Hij rende.

- Ele correu.
- Ele corria.

Hij versnelde.

Ele acelerou.

Hij liegt.

- Ele mente!
- Ele está mentindo!

Hij slaapt.

Ele está dormindo.

Hij kwam.

Ele veio.

Hij stond.

Ele estava parado.

Hij overdreef.

- Ele foi longe demais.
- Ele exagerou.

Hij rookte.

- Ele fumava.
- Ele estava fumando.

Hij sliep.

Ele dormiu.

Hij steelt.

Ele rouba.

Slaapt hij?

Ele está dormindo?

Hij huilde.

- Ele estava chorando.
- Ele estava a chorar.

Hij sprak.

Ele falou.

Hij rent.

- Ele corre.
- Ele está correndo.

Hij dook.

Ele mergulhou.

Hij loopt.

Ele anda.

Hij kookt.

Ele cozinha.