Translation of "Waar" in German

0.012 sec.

Examples of using "Waar" in a sentence and their german translations:

Waar of niet waar?

Wahr oder falsch?

Waar?

Wo?

- Waar is hij?
- Waar zijn ze?
- Waar is het?
- Waar is ze?

- Wo ist er?
- Wo sind sie?
- Wo ist sie?
- Wo ist es?

- Waar woon je?
- Waar woont gij?
- Waar wonen jullie?
- Waar woont u?

- Wo wohnst du?
- Wo wohnen Sie?
- Wo wohnt ihr?

- Waar woon je?
- Waar woont gij?
- Waar woont u?

- Wo lebst du?
- Wo wohnst du?
- Wo wohnen Sie?
- Wo wohnt ihr?

- Waar ben je?
- Waar zijt ge?
- Waar zijn jullie?

- Wo bist du?
- Wo seid ihr?
- Wo sind Sie?

- Waar woont hij?
- Waar is haar huis?
- Waar is zijn huis?
- Waar woont ze?
- Waar wonen ze?
- Waar is hun huis?

- Wo befindet sich ihr Haus?
- Wo lebt er?
- Wo wohnt er?

- Waar waren jullie?
- Waar ben je geweest?
- Waar was je?
- Waar zijn jullie geweest?

- Wo warst du?
- Wo wart ihr?
- Wo bist du gewesen?
- Wo waren Sie?

- Waar zijn we?
- Waar zijn wij?

- Wo sind wir?
- Wo wir sind?

- Waar woont hij?
- Waar woont ie?

Wo wohnt er?

- Waar ben je?
- Waar is hij?

Wo ist er?

- Waar ben je?
- Waar zijn jullie?

- Wo bist du?
- Wo seid ihr?
- Wo sind Sie?

- Waar is ze?
- Waar zit ze?

Wo ist sie?

- Waar is hij?
- Waar zit hij?

Wo ist er?

- Waar woon je?
- Waar woont gij?

- Wo lebst du?
- Wo wohnst du?

- Waar ben je?
- Waar zijt ge?

Wo bist du?

- Waar waren jullie?
- Waar was je?

- Wo warst du?
- Wo wart ihr?
- Wo bist du gewesen?
- Wo seid ihr gewesen?

- Waar ben ik?
- Waar zijn ze?

Wo bin ich?

- Waar ga je heen?
- Waar gaat ge naartoe?
- Waar gaan jullie naartoe?
- Waar ga je naartoe?
- Waar gaat u naartoe?
- Waar gaat u heen?
- Waar gaan jullie heen?

- Wohin gehst du?
- Wo gehst du hin?
- Wohin gehen Sie?
- Wohin geht ihr?
- Wo geht ihr hin?
- Wohin fahren Sie?

- Waar ga je heen?
- Waar gaan jullie naartoe?
- Waar ga je naartoe?
- Waar gaat u naartoe?
- Waar gaat u heen?
- Waar gaan jullie heen?

- Wohin gehst du?
- Wo gehst du hin?
- Wohin gehen Sie?
- Wohin geht ihr?
- Wo geht ihr hin?
- Wo gehen Sie hin?

Echt waar.

Das glaube ich.

"Echt waar?"

"Wirklich?"

Waar anders?

Wo sonst?

- Waar ga je heen?
- Waar gaat ge naartoe?
- Waar gaan jullie naartoe?
- Waar ga je naartoe?
- Waar gaat u heen?

- Wohin gehst du?
- Wo gehst du hin?
- Wohin gehen Sie?
- Wohin geht ihr?
- Wo gehen Sie hin?

- Waar ging je heen?
- Waar ben je geweest?
- Waar was je heen gegaan?
- Waar zijn jullie geweest?
- Waar was je heen?
- Waar gingen jullie heen?
- Waar waren jullie heen?

- Wohin bist du gegangen?
- Wohin seid ihr gegangen?
- Wohin sind Sie gegangen?

- Waar waren jullie?
- Waar ging je heen?
- Waar was je heen gegaan?
- Waar ging je net heen?
- Waar was je heen?
- Waar gingen jullie heen?
- Waar waren jullie heen?

- Wohin gingst du gerade?
- Wohin bist du gegangen?

- Waar zijn je spullen?
- Waar zijn jouw spullen?
- Waar zijn uw spullen?
- Waar zijn jullie spullen?

- Wo sind deine Sachen?
- Wo sind Ihre Sachen?

- Waar ga je heen?
- Waar gaat ge naartoe?
- Waar gaan jullie naartoe?
- Waar gaat u naartoe?

- Wohin gehst du?
- Wo willst du hin?
- Wo gehst du hin?
- Wohin gehen Sie?
- Wo geht ihr hin?

- Waar is ma?
- Waar is mijn moeder?

- Wo ist Mutti?
- Wo ist Mama?
- Wo ist Mami?
- Wo ist meine Mama?

- Waar is Mississippi?
- Waar is de Mississippi?

- Wo ist der Mississippi?
- Wo ist Mississippi?

- Waar woonde je?
- Waar heb je gewoond?

Wo haben Sie gewohnt?

- Waar heb je gestudeerd?
- Waar studeerde je?

- Wo haben Sie studiert?
- Wo hast du studiert?
- Wo habt ihr studiert?

- Waar speelt gij tennis?
- Waar tennissen jullie?

Wo spielt ihr Tennis?

- Echt?
- Echt waar?
- Echt!?
- Is dat waar?

- Wirklich?
- Echt?

- Waar was Tom?
- Waar is Tom geweest?

- Wo war Tom?
- Wo ist Tom gewesen?

- Waar is jouw huis?
- Waar is uw huis?
- Waar is jullie huis?

- Wo ist dein Haus?
- Wo ist euer Haus?
- Wo ist Ihr Haus?

- Waar hou je van?
- Waar houdt u van?
- Waar houden jullie van?

Was magst du?

- Waar wil je heen?
- Waar willen jullie heen?
- Waar wilt u heen?

Worauf willst du hinaus?

- Waar is het inlichtingenloket?
- Waar is de informatiebalie?
- Waar is de infobalie?

- Wo ist die Auskunft?
- Wo ist die Information?

- Waar koop je groenten?
- Waar kopen jullie groenten?
- Waar koopt u groenten?

- Wo kaufst du Gemüse?
- Wo kauft ihr Gemüse?
- Wo kaufen Sie Gemüse?

- Waar is het toilet?
- Waar is de wc?
- Waar is de badkamer?

- Wo ist die Toilette?
- Wo ist das Badezimmer?
- Wo ist das Klo?

- Waar wil je zitten?
- Waar willen jullie zitten?
- Waar wilt u zitten?

Wo möchtest du sitzen?

- Waar zijn uw kinderen?
- Waar zijn jouw kinderen?
- Waar zijn jullie kinderen?

Wo sind deine Kinder?

- Waar zien we elkaar?
- Waar ontmoeten we elkaar?
- Waar spreken we af?

- Wo treffen wir uns?
- Wo wollen wir uns treffen?
- Wo sollen wir uns treffen?

- Waar zijn je spullen?
- Waar zijn jouw spullen?
- Waar zijn uw spullen?

Wo sind deine Sachen?

- Waar woon je nu?
- Waar woont u nu?
- Waar woon je tegenwoordig?

- Wo wohnen Sie jetzt?
- Wo wohnst du jetzt?

- Waar zijn uw kinderen?
- Waar zijn jullie kinderen?
- Waar zijn je kinderen?

Wo sind deine Kinder?

- Waar ga je heen?
- Waar gaat ge naartoe?
- Waar ga je naartoe?

- Wohin gehst du?
- Wo gehst du hin?

- Waar kom je vandaan?
- Waar komt u vandaan?
- Waar komen jullie vandaan?

- Woher kommst du?
- Woher kommen Sie?
- Wo kommst du her?
- Wo bist du her?
- Wo seid ihr her?
- Wo sind Sie her?
- Wo kommt ihr her?
- Woher kommt ihr?

- Waar is het toilet?
- Waar is de plee?
- Waar is de wc?

- Wo ist das Klo?
- Wo ist der Lokus?
- Wo ist das Scheißhaus?

- Waar is jouw zoon?
- Waar is uw zoon?
- Waar is jullie zoon?

Wo ist dein Sohn?

- Waar zijn uw paarden?
- Waar zijn jullie paarden?
- Waar zijn jouw paarden?

Wo sind deine Pferde?

- Waar gaan jullie naartoe?
- Waar gaan jullie heen?

- Wohin geht ihr?
- Wo geht ihr hin?

- Waar ben je geboren?
- Waar bent u geboren?

- Wo bist du geboren?
- Wo sind Sie geboren?
- Wo seid ihr geboren?

- Waar ging je heen?
- Waar ging je naartoe?

Wohin gingst du gerade?

- Waar gaan we naartoe?
- Naar waar gaan we?

Wohin gehen wir?

- Waar was je toch?
- Waar waart ge toch?

Wo warst du denn?

- Waar woon je nu?
- Waar woont u nu?

- Wo wohnst du jetzt?
- Wo lebst du nun?

- Waar zijn je kleren?
- Waar zijn uw kleren?

- Wo sind deine Sachen?
- Wo ist deine Kleidung?
- Wo sind deine Kleider?

- Waar zijn je ouders?
- Waar zijn jullie ouders?

- Wo sind deine Eltern?
- Wo sind eure Eltern?

- Waar zijn je kleinkinderen?
- Waar zijn jouw kleinkinderen?

Wo sind deine Enkel?

- Waar is jouw hond?
- Waar is je hond?

Wo ist dein Hund?

- Waar doet het pijn?
- Waar is de pijn?

Wo tut es weh?

- Waar woon je eigenlijk?
- Waar woont gij eigenlijk?

- Wo wohnen Sie eigentlich?
- Wo wohnst du eigentlich?
- Übrigens, wo wohnst du eigentlich?

- Waar is je vader?
- Waar is jullie vader?

Wo ist dein Vater?

- Waar ga je heen?
- Waar gaat ge naartoe?

- Wohin gehst du?
- Wo gehen Sie hin?

- Waar is de plee?
- Waar is de wc?

- Wo ist das Klo?
- Wo ist der Lokus?

- Waar is je kleinzoon?
- Waar is jouw kleinzoon?

- Wo ist dein Enkel?
- Wo ist dein Enkelsohn?

- Waar is m'n bril?
- Waar is mijn bril?

Wo ist meine Brille?

- Waar is de wc?
- Waar is de badkamer?

Wo ist das Badezimmer?

- Waar is het treinstation?
- Waar is het station?

Wo ist der Bahnhof?