Translation of "Zijn" in German

0.030 sec.

Examples of using "Zijn" in a sentence and their german translations:

Zijn ogen zijn groter dan zijn maag.

Seine Augen sind größer als sein Magen.

Zijn schoenen zijn bruin.

Seine Schuhe sind braun.

Zijn ogen zijn rood.

Seine Augen sind rot.

Zijn ogen zijn blauw.

Seine Augen sind blau.

Zijn sokken zijn grijs.

Seine Socken sind grau.

Zijn dagen zijn geteld.

Seine Tage sind gezählt.

We zijn zijn kinderen.

Wir sind seine Kinder.

Programmeertalen zijn zijn hobby.

Programmiersprachen sind sein Hobby.

Wij zijn zijn zonen.

- Wir sind seine Kinder.
- Wir sind ihre Söhne.

Zijn sokken zijn paars.

Seine Socken sind lila.

Zijn voorspellingen zijn uitgekomen.

Seine Voraussagen sind eingetroffen.

- Zijn beide ouders zijn dood.
- Zijn ouders zijn beiden al overleden.

Seine Eltern sind beide tot.

- Haar ogen zijn blauw.
- Zijn ogen zijn blauw.

- Seine Augen sind blau.
- Ihre Augen sind blau.

- Ze zijn ongevaarlijk.
- Zij zijn ongevaarlijk.
- Ze zijn onschadelijk.
- Zij zijn onschadelijk.

Sie sind harmlos.

- Het zijn zusters.
- Het zijn zussen.
- Ze zijn zusters.
- Zij zijn zusters.

Sie sind Schwestern.

Zijn antennes zijn zo gevoelig...

Seine Fühler sind so sensibel,

Zijn beide grootvaders zijn dood.

Seine beiden Großväter sind tot.

Zijn kinderen zijn groot geworden.

Seine Kinder sind groß geworden.

Zijn succes verheugde zijn ouders.

Sein Erfolg erfreute seine Eltern.

Zijn foto's zijn erg bekend.

Seine Bilder sind sehr berühmt.

Zijn beide grootouders zijn dood.

Seine Großeltern sind beide tot.

Wij zijn met zijn drieën.

Wir sind zu dritt.

Kan zijn verhaal waar zijn?

Kann seine Geschichte wahr sein?

Zijn beide ouders zijn dood.

Seine Eltern sind beide tot.

Zijn ogen verraden zijn schrik.

Seine Augen verrieten seine Furcht.

- Het zijn spionnen.
- Ze zijn spionnen.
- Zij zijn spionnen.

Das sind Spione.

- Toms ogen zijn blauw.
- Tom zijn ogen zijn blauw.

Toms Augen sind blau.

- Zijn er dagtochten?
- Zijn er dagtrips?
- Zijn er excursies?

Gibt es Tagestouren?

- Slakken zijn traag.
- Slakken zijn sloom.
- Slakken zijn langzaam.

Schnecken sind langsam.

- Het zijn vrienden.
- Ze zijn vrienden.
- Ze zijn bevriend.

Sie sind Freunde.

- Zowel zijn vader als moeder zijn gestorven.
- Zijn vader en moeder zijn beiden dood.

- Sowohl sein Vater als auch seine Mutter sind tot.
- Sein Vater und seine Mutter sind beide tot.

- Zijn ogen zijn groter dan zijn maag.
- Je ogen zijn groter dan je maag.

Die Augen sind größer als der Magen.

- Lammetjes zijn baby schapen.
- Lammeren zijn babyschapen.
- Lammetjes zijn babyschapen.

- Lämmer sind kleine Schafe.
- Lämmchen sind kleine Schafe.

Dat moet zijn grootste zorg zijn.

Das muss wohl seine größte Sorge sein.

- Zij zijn dokters.
- Zij zijn artsen.

Sie sind Ärztinnen.

Zijn vader schijnt advokaat te zijn.

Sein Vater scheint Anwalt zu sein.

- Daar zijn ze.
- Dat zijn ze.

Da kommen sie.

- Ze zijn vegetariërs.
- Zij zijn vegetariërs.

Das sind Vegetarier.

- We zijn mannen.
- Wij zijn mannen.

Wir sind Männer.

- We zijn beschikbaar!
- We zijn vrij!

Wir sind frei!

- Waar zijn we?
- Waar zijn wij?

- Wo sind wir?
- Wo wir sind?

- Ze zijn binnen.
- Zij zijn binnen.

Sie sind drinnen.

- Dat zijn cadeaus.
- Dat zijn geschenken.

Das sind Geschenke.

We zijn zeker van zijn succes.

- Wir sind von seinem Erfolg überzeugt.
- Wir sind seines Erfolges sicher.

- We zijn verloren.
- We zijn verdwaald.

- Wir haben uns verfahren.
- Wir haben uns verlaufen.

- Zij zijn zangers.
- Zij zijn zangeressen.

- Sie sind Sänger.
- Das sind Sänger.
- Sie sind Sängerinnen.

- Ze zijn schattig.
- Ze zijn knap.

Sie sind hübsch.

- We zijn omsingeld.
- We zijn omringd.

Wir sind umzingelt!

- Nachtmerries zijn angstaanjagend.
- Nachtmerries zijn eng.

- Alpträume sind erschreckend.
- Alpträume sind furchteinflößend.
- Alpträume machen Angst.
- Alpträume sind angsteinflößend.

- Ze zijn weg.
- Zij zijn weg.

- Sie sind verschwunden.
- Sie sind weg.

- Ze zijn duur.
- Zij zijn duur.

Sie sind teuer.

- Ze zijn klaar.
- Zij zijn klaar.

Sie sind bereit.

- Ze zijn overal.
- Zij zijn overal.

Sie sind überall!

- Ze zijn vroeg.
- Zij zijn vroeg.

Sie sind früh dran.

- Ze zijn anders.
- Zij zijn anders.

Sie sind anders.

- Ze zijn stil.
- Zij zijn stil.

- Sie sind still.
- Sie sind leise.
- Sie sind ruhig.

- Ze zijn nieuw.
- Zij zijn nieuw.

Sie sind neu.

- Ze zijn kinderen.
- Zij zijn kinderen.

Sie sind Kinder.

- Ze zijn geweldig.
- Zij zijn geweldig.

Sie sind großartig.

- Het zijn idioten.
- Het zijn dwazen.

Das sind Dummköpfe.

- Ze zijn onvoorspelbaar.
- Zij zijn onvoorspelbaar.

Sie sind unvorhersehbar.

- We zijn weerloos.
- Wij zijn weerloos.

- Wir sind wehrlos.
- Wir sind schutzlos.

- We zijn wanhopig.
- Wij zijn wanhopig.

Wir sind verzweifelt.

- We zijn ervaren.
- Wij zijn ervaren.

Wir sind erfahren.

- Wij zijn vriendinnen.
- Wij zijn vrienden.

- Wir sind Freunde.
- Wir sind Freundinnen.
- Wir sind befreundet.

- We zijn journalisten.
- Wij zijn journalisten.

Wir sind Journalisten.

- Ze zijn nutteloos.
- Zij zijn nutteloos.

Sie sind nutzlos.

- We zijn nerveus.
- We zijn zenuwachtig.

Wir sind nervös.

- Wij zijn rijk.
- We zijn rijk.

Wir sind reich.