Translation of "Gaan" in Spanish

0.033 sec.

Examples of using "Gaan" in a sentence and their spanish translations:

- Ze mogen gaan.
- Ze kunnen gaan.
- Zij kunnen gaan.
- Zij mogen gaan.

Pueden ir.

Vandaag gaan we gaan dansen.

Hoy nos vamos a bailar.

- Zal je gaan?
- Zult u gaan?
- Zullen jullie gaan?

- ¿Vas a ir?
- ¿Irás?
- ¿Va a ir?

- Je mag gaan.
- Jullie mogen gaan.
- U mag gaan.

- Puedes irte.
- Puedes ir.
- Te puedes ir.
- Puedes marcharte.

- Je mag gaan.
- Je kunt gaan.
- Je kan gaan.

- Puedes irte.
- Se puede ir.

- Ik moet gaan.
- lk moet gaan.

- Tengo que ir.
- Debo ir.

- We gaan ervandoor.
- We gaan weg.

Nos vamos.

- Dingen gaan stuk.
- Dingen gaan kapot.

Las cosas se rompen.

- Ze gaan komen.
- Zij gaan komen.

- Ellos vendrán.
- Vendrán.

- Kunnen we gaan?
- Mogen we gaan?

¿Podemos ir?

- Hij wil gaan.
- Zij wil gaan.

Quiere ir.

- Jullie mogen gaan.
- U mag gaan.

- Podéis iros.
- Pueden irse.
- Podéis marcharos.
- Pueden marcharse.

- Je mag gaan.
- U mag gaan.

- Puedes irte.
- Se puede ir.
- Podéis iros.
- Pueden irse.
- Podéis marcharos.
- Pueden marcharse.
- Podéis ir.
- Podés irte.

- Laten we gaan!
- Laten we gaan.

- Vámonos.
- ¡Vamos!

- Ze gaan bellen.
- Zij gaan bellen.

Llamarán.

We gaan.

Bien, vamos.

Gaan we?

¿Nos vamos?

Ze gaan.

Ellos se van.

Dus we gaan vechten? Daar gaan we.

¿Vamos a pelear? Bien, aquí vamos.

- Wil je weg?
- Wil je gaan?
- Willen jullie gaan?
- Wilt u gaan?

¿Te quieres ir?

- Zou ik moeten gaan?
- Zou hij moeten gaan?
- Zou ze moeten gaan?

¿Debería ir?

- Ze is gaan shoppen.
- Ze is gaan winkelen.

Ella salió de compras.

- Waar gaan we naartoe?
- Naar waar gaan we?

¿Adónde vamos?

- Ik wil daarheen gaan.
- Ik wil daarnaartoe gaan.

Quiero ir allí.

- Ze liet haar gaan.
- Hij liet haar gaan.

La dejó ir.

- Waar gaan jullie naartoe?
- Waar gaan jullie heen?

¿Adónde van ustedes?

- Moet ik onmiddellijk gaan?
- Moet ik nu gaan?

- ¿Tengo que ir ahora?
- ¿Tengo que ir enseguida?
- ¿Debo ir inmediatamente?

- Waar gaan ze heen?
- Waar gaan ze naartoe?

¿Adónde van?

- Ze gaan hem vermoorden!
- Ze gaan u vermoorden!

¡Le matarán!

- Laten we gaan kitesurfen.
- Laten we gaan kiten.

Remontemos barriletes.

Daar gaan we.

Eso es.

Laten we gaan.

¡En marcha!

De slag gaan.'

la batalla'.

Of we gaan...

O vamos...

Kom, we gaan.

Aquí vamos.

Oké, we gaan.

Bien, bajemos.

We gaan snel.

¡Vamos rápido!

We gaan verder.

Bien, sigamos en marcha.

Mag ik gaan?

¿Me permiten?

Ik zal gaan.

Yo iré.

Laat me gaan!

¡Déjeme ir!

Ik moest gaan.

Tuve que ir.

Ik moet gaan.

Me debería ir.

We moeten gaan.

- Deberíamos irnos.
- Nos debemos ir.
- Debemos irnos.

Ik wilde gaan.

Quería ir.

Laat Tom gaan.

Deja ir a Tom.

Ik wil gaan.

Quiero ir.

Wie wil gaan?

¿Quién quiere ir?

Je mag gaan.

Puedes irte.

U mag gaan.

Puedes ir allí.

We zullen gaan.

Iremos.

Gaan we samen?

¿Vamos juntos?

We gaan ervandoor.

Nos vamos.

We gaan eropuit.

- Vamos a salir.
- Nosotros salimos.

We gaan morgen.

- Iremos mañana.
- Vamos mañana.
- Nos vamos mañana.

Ze mogen gaan.

- Puede que vayan.
- Quizá vayan.
- Tal vez vayan.

Jullie moeten gaan.

Tenéis que ir.

Wie zal gaan?

¿Quién irá?

Laat het gaan.

Déjalo ir.

Ik kan gaan.

Puedo ir.