Translation of "Doen" in German

0.008 sec.

Examples of using "Doen" in a sentence and their german translations:

Niet doen!

Tu das nicht.

- Mijn longen doen pijn.
- Mijn longen doen zeer.

- Meine Lungen tun mir weh.
- Meine Lungen schmerzen.
- Meine Lungen schmerzten.
- Meine Lungen taten mir weh.

- Wat gaan wij doen?
- Wat zullen we doen?

Was werden wir machen?

Ik wil alles doen, wat ik moet doen.

Ich will alles tun, was ich tun soll.

- Hij kan het doen.
- Zij kan het doen.

Er kann es schaffen.

- Wat gaat u vanavond doen?
- Wat gaan jullie vanavond doen?
- Wat ga je vanavond doen?
- Wat doen jullie vanavond?

- Was machst du heute Abend?
- Was werden Sie heute Abend machen?

We doen het.

Los geht es!

Wat doen we?

Was möchtest du tun?

Anderen doen mee.

Andere schließen sich an.

Niet doen, Sam!

Sam, tu's nicht!

- Dat mag je niet doen.
- Dat kan je niet doen.
- Dat kunnen jullie niet doen.
- Dat mogen jullie niet doen.

- Das kannst du nicht machen.
- Das könnt ihr nicht machen.
- Das können Sie nicht machen.
- Du hast kein Recht, das zu tun.
- Sie haben kein Recht, das zu tun.

- Wat doen we?
- Wat zijn we aan het doen?

Was machen wir?

Heb je alles kunnen doen, wat je wilde doen?

Hast du alles geschafft, was du erledigen wolltest?

- Wat gaan jullie doen?
- Wat gaan jullie vanmiddag doen?

Was macht ihr heute Nachmittag?

- Je had het kunnen doen.
- U had het kunnen doen.
- Jullie had het kunnen doen.

Du könntest es getan haben.

- Wat gaat u vanavond doen?
- Wat gaan jullie vanavond doen?
- Wat ga je vanavond doen?

Was werden Sie heute Abend machen?

- Wil je dat echt doen?
- Wil je dit echt doen?
- Wilt u dit werkelijk doen?

- Willst du das echt machen?
- Willst du das echt tun?

- Tom doet wat hij moet doen.
- Tom is aan het doen wat hij moet doen.

Tom macht, was er zu tun hat.

- Iedereen kan dat doen.
- Om het even wie kan dat doen.
- Dat kan iedereen doen.
- Dat kan om het even wie doen.

- Jeder kann es machen.
- Jeder ist in der Lage, dies zu tun.
- Das kann jeder.
- Jeder kann das machen.

- Er is veel te doen.
- Er is veel te doen!
- Er is veel werk te doen.

Es gibt viel zu tun.

- Waarom moet ik dat doen?
- Waarom moet ik dit doen?

- Warum muss ich es machen?
- Warum muss ich das machen?

- We doen geen halve zaken.
- We doen geen zaken half.

Wir machen keine halben Sachen.

- Doe wat ge moet doen.
- Doe wat je moet doen.

Tu, was du tun musst!

- Wat wil je hiermee doen?
- Wat wilt u hiermee doen?

Was willst du damit machen?

- Er is veel te doen.
- Er is veel te doen!

Es gibt viel zu tun.

- En, wat doen we nu?
- En wat gaan we doen?

Und was machen wir jetzt?

- Zou je het kunnen doen?
- Zou jij het kunnen doen?

- Könntest du das tun?
- Könnten Sie das tun?
- Könntet ihr das tun?

- Ik wil dat niet doen.
- Ik wil 't niet doen.

Ich will das nicht machen.

- Ik zal niets doms doen.
- Ik zal niets stoms doen.

Ich werde keine Dummheit begehen.

Tom hoeft niets te doen wat hij niet wil doen.

Tom braucht nichts zu tun, was er nicht tun möchte.

- Ik heb veel te doen.
- Ik heb veel dingen te doen.
- Mij staat nog veel te doen.
- Ik moet een hoop werk doen.

Ich habe viel zu tun.

- Dat mag niet.
- Dat mag je niet doen.
- Dat kan je niet doen.
- Dat kunnen jullie niet doen.
- Dat mogen jullie niet doen.

Das kannst du nicht machen.

Ik ga niet doen

Ich werde nicht so tun,

Wat ik kon doen.

Was könnte ich tun?

Wat moeten we doen?

Was soll ich also tun?

Wat ga ik doen?

Was soll ich tun?

Wat gaan we doen?

Was sollen wir also tun?

Die doen we af.

Okay, ich nehme sie runter.

Als we dat doen,

Wenn wir das tun,

Ik moet iets doen.

Ich muss etwas tun.

Wat wil je doen?

- Was willst du machen?
- Was wollen Sie tun?
- Was willst du tun?

Iedereen kan dat doen.

Jeder kann das machen.

Ik zal het doen.

Ich werde es tun.

Mijn voeten doen pijn.

Meine Füße tun weh.

Mijn gewrichten doen pijn.

Meine Gelenke tun weh.

Gij moet dat doen.

- Du musst das machen.
- Das musst du tun.
- Du musst das tun.
- Sie müssen das tun.
- Ihr müsst das tun.

Ga je het doen?

Werdet ihr das machen?

Wat moet ik doen?

Was muss ich tun?

Wat kan ik doen?

- Was kann ich tun?
- Was kann ich machen?

Waarom doen zij dat?

Warum tun sie das?

Kan hij het doen?

Kann er das?

Wat zullen we doen?

Was werden wir machen?

Laat hem dat doen.

Lass es ihn machen!

Hoe doen we dat?

Wie machen wir das?

Mijn schouders doen pijn.

- Mir tun die Schultern weh.
- Ich habe Schulterschmerzen.
- Meine Schultern schmerzen.
- Mir schmerzen die Schultern.

Wil jij dit doen?

Willst du das tun?

We moeten het doen!

Wir müssen es tun!

Wat doen we hier?

Was machen wir hier?

Wat doen die mensen?

Was machen die Leute da?

Wat doen jullie straks?

Was macht ihr später noch?

Hoe doen ze dat?

Wie machen sie das?

We moeten iets doen.

- Wir müssen etwas tun!
- Wir müssen etwas unternehmen.

Wat ga je doen?

Was wirst du machen?

Laten we het doen!

Machen wir es!

Wat gaan jullie doen?

- Was wirst du tun?
- Was wirst du machen?
- Was werdet ihr tun?
- Was werden Sie tun?

Mijn ogen doen pijn.

- Meine Augen schmerzen.
- Meine Augen sind entzündet.
- Mir tun die Augen weh.

Dat kunnen wij doen.

Dies können wir tun.

Wat gaan wij doen?

Was werden wir tun?

Ga je huiswerk doen.

Geh und mach deine Hausaufgaben!

Ik ga het doen.

Ich werde es machen.

Laat mij het doen.

- Überlass das mir.
- Lassen Sie mich das erledigen.
- Lass mich das machen!