Translation of "Dit" in English

0.021 sec.

Examples of using "Dit" in a sentence and their english translations:

- Gebruik dit.
- Gebruik dit!

Use this.

- Dit is voldoende.
- Dit is genoeg.
- Dit volstaat.

This'll do.

- Wil je dit?
- Wilt u dit?
- Willen jullie dit?

- You want this?
- Do you want this?

- Denk jij dit?
- Denkt u dit?
- Denken jullie dit?

Is that what you think?

- Wist jij dit?
- Wist u dit?
- Wisten jullie dit?

Did you know this?

- Zie je dit?
- Zien jullie dit?
- Ziet u dit?

Do you see this?

Dit betekent voedsel. Dit betekent energie.

This means food. This means energy.

Dit is anders. Dit is interessant.

This is something different. This is interesting.

- Kopieer dit alstublieft.
- Kopieer dit alsjeblieft.

Please copy this.

- Hoeveel is dit?
- Hoeveel kost dit?

How much is this?

- Dit is eten.
- Dit is voedsel.

This is food.

- Is dit cool?
- Is dit gaaf?

Is this cool?

- Is dit leuk?
- Is dit mooi?

Is this nice?

- Waarvoor dient dit?
- Waartoe dient dit?

- What's this for?
- Is there a point?

- Is dit nep?
- Is dit vals?

Is this fake?

- Dit is basis.
- Dit is elementair.

This is basic.

- Dit is raar.
- Dit is vreemd.

This is odd.

- Dit is ondraaglijk.
- Dit is ontoelaatbaar.

This is intolerable.

- Dit is moeilijk.
- Dit is hard.

This is hard.

- Is dit van belang?
- Telt dit?

Does this count?

- Dit is makkelijk.
- Dit is eenvoudig.

- This is easy.
- This is easy!

- Dit is bijzonder.
- Dit is speciaal.

This is special.

- Dit is keurig.
- Dit is netjes.

This is neat.

- Ruik dit alsjeblieft.
- Ruik dit alstublieft.

Please smell this.

- Heeft u dit meegemaakt?
- Heb je dit meegemaakt?
- Hebben jullie dit meegemaakt?
- Hebben jullie dit ondervonden?
- Heeft u dit ondervonden?
- Heb je dit ondervonden?

Have you experienced this?

Dit jaar...

This year...

Probeer dit.

- Try this.
- Try this!

Gebruik dit!

- Use this.
- Use this!

Voel dit.

Feel this.

Dit functioneert.

This works.

Onderteken dit.

Sign this.

Hou dit.

Keep this.

Check dit.

Check this.

Draag dit.

Carry this.

Gebruik dit.

Use this.

Onthoud dit.

Memorize this.

Dit zuigt.

- This sucks.
- That sucks.

Pak dit.

Grab this.

Past dit?

Does this fit?

Drink dit!

Drink this.

Repareer dit.

Fix this.

Lees dit.

Read this.

Ruik dit.

Smell this.

Dit ontbrak.

This was missing.

Onthoud dit!

Remember this!

Zeg dit.

Say this.

- Dit is uw sleutel.
- Dit is jouw sleutel.
- Dit is jullie sleutel.
- Dit is je sleutel.

This is your key.

- Ga jij dit gebruiken?
- Ga je dit gebruiken?
- Gaat u dit gebruiken?
- Gaan jullie dit gebruiken?

- Are you going to use this?
- Will you use this?

- Waarom is dit gebeurd?
- Waarom gebeurde dit?

- Why did this happen?
- Why has this happened?
- Why was that?

- Hoe noem je dit?
- Hoe heet dit?

What do you call this?

- Dit ei ruikt slecht.
- Dit ei stinkt.

This egg smells bad.

Dit is geen voetbal, dit is 'soccer'!

This isn't football, this is soccer!

- Ik vind dit ergerlijk.
- Dit ergert me.

- This annoys me.
- That makes me angry.

- Dit is zinloos.
- Dit heeft geen zin.

This is pointless.

- Dit voelt niet goed.
- Dit voelt verkeerd.

This feels wrong.

- Wanneer gebeurde dit?
- Wanneer is dit gebeurd?

- When did this occur?
- When did this happen?
- When did that happen?

- Waarvoor dient dit?
- Waarvoor wordt dit gebruikt?

- What is this thing used for?
- What's this thing used for?

- Wat is dit?
- Hoe noem je dit?

- What is this called?
- What's this called?

- Waarom doe je dit?
- Waarom doet u dit?
- Waarom doen jullie dit?

Why are you doing this?

- Is dit jouw wijn?
- Is dit uw wijn?
- Is dit jullie wijn?

Is this your wine?

- Dit is uw wijn.
- Dit is jouw wijn.
- Dit is jullie wijn.

This is your wine.

- Je hebt dit nodig.
- U heeft dit nodig.
- Jullie hebben dit nodig.

You need this.

- Dit is jouw land.
- Dit is jullie land.
- Dit is uw land.

This is your country.

- Je verdient dit niet.
- U verdient dit niet.
- Jullie verdienen dit niet.

You don't deserve this.

- Dit is jouw slaapkamer.
- Dit is uw slaapkamer.
- Dit is jullie slaapkamer.

This is your bedroom.

- Is dit jouw pen?
- Is dit uw pen?
- Is dit jullie pen?

Is this your pen?

- Dit is haar hond.
- Dit is zijn hond.
- Dit is uw hond.

This is your dog.

- Ken je dit liedje?
- Kent u dit liedje?
- Kennen jullie dit liedje?

Do you know this song?

- Dit was zeer moeilijk.
- Dit was heel moeilijk.
- Dit was erg moeilijk.

- This was very difficult.
- This was very hard.

- Ga jij dit gebruiken?
- Ga je dit gebruiken?
- Gaan jullie dit gebruiken?

- Are you going to use this?
- Will you use this?

- Zijn dit jouw ski's?
- Zijn dit uw ski's?
- Zijn dit jullie ski's?

Are these your skis?

- Dit is een kiezelsteen.
- Dit is een kiezelsteentje.
- Dit is een kiezel.

This is a pebble.

- Dit is jouw rekenmachine.
- Dit is uw rekenmachine.
- Dit is jullie rekenmachine.

This is your calculator.

- Ik vind dit leuk.
- Ik vind dit onderhoudend.
- Ik vind dit vermakelijk.

I find this entertaining.

- Dit is waanzin.
- Dat is waanzin.
- Dit is gekkenwerk.
- Dit is krankzinnig.

This is crazy.

- Kan ik dit houden?
- Mag ik dit houden?

Can I keep this?

- Is dit een bloem?
- Dit is een bloem?

- Is this a flower?
- This is a flower?

- Is dit uw familie?
- Is dit jouw familie?

Is this your family?

- Dit zijn tranen van blijdschap.
- Dit zijn vreugdetranen.

- They're tears of joy.
- They are tears of joy.

- Dit is uiterst gĂȘnant.
- Dit is erg gĂȘnant.

This is extremely awkward.

- Dit is mijn penis.
- Dit is mijn piemel.

This is my dick.

- Is dit jouw woordenboek?
- Is dit uw woordenboek?

Is this your dictionary?

- Dit is een vergissing.
- Dit is een fout.

This is a mistake.

- Dit is een paard.
- Dit is een ros.

This is a horse.