Translation of "Moet" in Turkish

0.027 sec.

Examples of using "Moet" in a sentence and their turkish translations:

- Ik moet ervandoor.
- lk moet gaan.
- Ik moet weg.

Gitmeliyim.

- Moet je weg?
- Moet je weggaan?
- Moet je gaan?

Gitmen gerekir mi?

- Ik moet studeren.
- Ik moet leren.

Öğrenmek zorundayım.

- Ik moet gaan.
- lk moet gaan.

- Gitmeliyim.
- Ben gitmeliyim.

- Jij moet helpen!
- U moet helpen.

Yardım etmek zorundasın.

- Ik moet terug.
- Ik moet teruggaan.

- Geri gitmeliyim.
- Geri gitmem gerekiyor.

- Je moet terug.
- Je moet teruggaan.

Geri gitmelisin.

- Je moet gaan.
- Je moet vertrekken.

Gitmelisin.

- Ik moet gaan.
- Ik moet ervandoor.

- Gitmeliyim.
- Şimdi gitmek zorundayım.
- Şimdi gitmeliyim.
- Gitmem gerek.
- Ben gitmeliyim.
- Şimdi gitmem gerek.

- Moet ik weg?
- Moet ik weggaan?

Ben gitmek zorundayım.

- Hij moet sterven.
- Hij moet dood.

O ölmeli.

Moet dat?

Gerekli mi?

- Ik moet annuleren.
- Ik moet het afzeggen.

İptal etmeliyim.

- Ik moet ervandoor.
- Ik moet nu weg.

Şimdi gitmem gerekiyor.

- Het moet gewassen worden.
- Dat moet gewassen worden.
- Het moet worden gewassen.

- Yıkanması gerek.
- Yıkanması gerekiyor.

- Ik moet je onderzoeken.
- Ik moet u onderzoeken.
- Ik moet jullie onderzoeken.

Seni muayene etmek zorundayım.

- Je moet je haasten.
- Je moet opschieten.
- U moet opschieten.
- Jullie moeten opschieten.
- Jullie moet je haasten.

Acele etmelisin.

Je moet zo doen... Het moet leeg klinken.

Böyle yapmalısın... Boşalmış gibi ses çıkmalı.

- Ge moet hem helpen.
- Je moet hem helpen.

Ona yardımcı olmalısın.

- Je moet voorzichtig zijn.
- U moet voorzichtig zijn.

Dikkatli olmalısın.

- Je moet behoedzaam zijn.
- Je moet voorzichtig zijn.

Dikkatli olmalısın.

- Ik moet onder de douche.
- Ik moet douchen.

- Duş almam gerek
- Duş almam lazım.

- Ik moet gaan slapen.
- Ik moet naar bed.

Uyumam gerekiyor.

- Waar moet ik afstappen?
- Waar moet ik uitstappen?

Nerede inerim?

- Je moet nu weg.
- Je moet nu vertrekken.

Şimdi gitmelisin.

- Waarom moet je ervandoor?
- Waarom moet je weg?

Neden gitmelisin?

- Ik moet me klaarmaken.
- Ik moet me gereedmaken.

Hazırlanmak zorundayım.

- Wanneer moet je weg?
- Wanneer moet je vertrekken?

Ne zaman gitmek zorundasın.

- Ik moet naar het toilet.
- Ik moet plassen.

- Çiş yapmaya gitmem gerekiyor.
- Gidip işemem lazım.

- Moet ik nog verder gaan?
- Moet ik doorgaan?

Devam etmem gerekiyor mu?

- Dit moet gedaan worden.
- Dit moet worden gedaan.

Bunun yapılması gerekir.

- De mens moet werken.
- Een mens moet werken.

Bir adam çalışmak zorundadır.

Natuurlijk moet dat.

Elbette bilebiliriz.

Hij moet oppassen.

Dikkatli olması gerek.

Dat moet opnieuw.

Bunu tekrar denemeliyiz.

Hij moet handelen.

Harekete geçmeli.

Moet ik overstappen?

Benim transfer etmem gerekiyor mu?

Ik moet fietsen.

Ben bisiklete binmek zorundayım.

Ik moet overgeven.

Kusacak gibi hissediyorum.

Ik moet bellen.

Bir telefon görüşmesi yapmak zorundayım.

Vis moet zwemmen.

Balık yüzmeden olmaz.

Ik moet studeren.

Çalışmalıyım.

Tom moet ervandoor.

Tom gitmeli.

Ik moet gaan.

Gitmem gerekiyor.

Ik moet slapen.

Uykuya ihtiyacım var.

Ik moet tanken.

Benzin almam gerekiyor.

Moet ik studeren?

Çalışmak zorunda mıyım?

Ze moet daarnaartoe.

O oraya gitmeli.

Ik moet terug.

Geri gitmem gerek.

Hij moet komen.

O gelmek zorunda.

Ik moet weigeren.

Reddetmeliyim.

Ik moet rusten.

Dinlenmeliyim.

Je moet vechten!

Dövüşmek zorundasın.

U moet beginnen.

Başlamak zorundasın.

Moet ik doorgaan?

Devam edeyim mi?

Tom moet blijven.

Tom kalmak zorunda.

Ik moet teruggaan.

Geri gitmeliyim.

Je moet stoppen.

- Durmak zorundasın.
- Durmak zorundasınız.

Ik moet binnen.

- İçeriye girmem gerekiyor.
- İçeriye girmeliyim.

Je moet opstaan.

Sen kalkmak zorundasın.

Tom moet betalen.

Tom'un ödemesi gerekiyor.

Ik moet eten.

- Yemek zorundayım.
- Yemek yemek zorundayım.

Ik moet schrijven.

Ben yazı yazmalıyım.

Dat moet niet.

Gerekli değil.

Ik moet erheen.

Oraya gitmem gerekiyor.

Ik moet pissen.

Çiş yapmam gerek.

Elk moet werken.

Herkes çalışmalı.

Je moet luisteren.

Dinlemek zorundasın.

Lk moet gaan.

Gitmek zorundayım.

Moet je gaan?

Gitmek zorunda mısın?

Ik moet leren.

Öğrenmem gerekiyor.

U moet wachten.

Beklemelisiniz.

Je moet gaan.

Gitmek zorundasın.

Ik moet ervandoor.

Gitmem gerek.

Ik moet douchen.

Bir duş almak zorundayım.

Je moet weg.

- Gitmeniz gerekiyor.
- Defolup gitmen gerekiyor.

Tom moet werken!

Tom çalışmalıdır.

Ik moet werken.

Çalışmam gerek.

Waar moet ik beginnen? Wat moet ik allemaal loslaten?

Nereden başlamalı?

- Ik moet even telefoneren.
- Ik moet een telefoontje doen.

Ben bir telefon görüşmesi yapmak zorundayım.

- Ik moet gaan winkelen.
- Ik moet boodschappen gaan doen.

Ben alışverişe gitmek zorundayım.