Translation of "Komen" in Spanish

0.007 sec.

Examples of using "Komen" in a sentence and their spanish translations:

- U kunt komen.
- Je kunt komen.
- Jullie kunnen komen.

Puedes venir.

- Hij kan komen.
- Hij mag komen.

Él puede venir.

- Mag ik komen?
- Kan ik komen?

- ¿Puedo ir?
- ¿Puedo venir?
- ¿Puedo acercarme?

- Ze gaan komen.
- Zij gaan komen.

- Ellos vendrán.
- Vendrán.

- Hij wil komen.
- Zij wil komen.

Quiere venir.

We komen.

Vamos a ir.

Komen jullie?

¿Vendréis?

Misschien komen ze, misschien komen ze niet.

Puede que vengan y puede que no.

- Zij wilden zelf komen.
- Ze wilden zelf komen.

Ellos mismos querían venir.

- Hij zou moeten komen.
- Zij zou moeten komen.

Debería venir.

Er komen roofdieren.

Trae a los depredadores.

Komen zij ook?

¿Ellos también vienen?

Hij mag komen.

Él puede venir.

Kan je komen?

¿Puedes venir?

Dromen komen uit.

Los sueños se hacen realidad.

Zal ze komen?

- ¿Ella vendrá?
- ¿Vendrá ella?

Hij zal komen.

Él vendrá.

Ze komen aan.

Vienen.

Hij moet komen.

Tiene que venir.

Tom zal komen.

Tom vendrá.

We zullen komen.

Vendremos.

U kunt komen.

- Puede que vengan.
- Quizá vengan.

Zij wil komen.

Quiere venir.

Je kunt komen.

Puedes venir.

Hier komen ze.

Aquí vienen.

Er komen opklaringen.

Habrá claros.

- We komen.
- We komen eraan!
- We komen er zo aan.
- We zijn er zo.

Ya vamos.

- Waarom kunt ge niet komen?
- Waarom kan je niet komen?
- Waarom kunnen jullie niet komen?
- Waarom kunt u niet komen?

¿Por qué no puedes venir?

- Wanneer kunt ge komen?
- Hoe laat kun je komen?

- ¿A qué hora puedes venir?
- ¿Cuándo puedes venir?

- Hoe laat kun je komen?
- Hoe laat kunt u komen?
- Hoe laat kunnen jullie komen?

- ¿A qué hora puedes venir?
- ¿Cuándo puedes venir?

- Kunt ge komen eten vanavond?
- Kan je vanavond komen dineren?
- Kunt u vanavond komen dineren?

- ¿Podés venir a cenar esta noche?
- ¿Puedes venir a cenar esta noche?

- Waar komen jouw voorouders vandaan?
- Waar komen uw voorouders vandaan?
- Waar komen jullie voorouders vandaan?

¿De dónde son tus ancestros?

- Om hoe laat kunt ge komen?
- Tegen welk uur kunt ge komen?
- Hoe laat kun je komen?
- Hoe laat kunt u komen?
- Hoe laat kunnen jullie komen?

¿A qué hora puedes venir?

- Jullie moeten niet komen morgen.
- U moet morgen niet komen.

No deben venir mañana.

- Waarom kunt ge niet komen?
- Waarom kan je niet komen?

¿Por qué no puedes venir?

- U moet niet komen morgen.
- Jullie moeten niet komen morgen.

- No tienes que venir mañana.
- No tiene que venir mañana.

- Kan je vanavond komen dineren?
- Kunt u vanavond komen dineren?

¿Puedes venir a cenar esta noche?

Kunt ge zondagavond komen?

- ¿Puedes venir el domingo por la noche?
- ¿Podés venir el domingo por la noche?

Ze komen niet vandaag.

Ellos no van a venir hoy.

Je dromen komen uit.

Tus sueños hechos realidad.

Zal de politie komen?

¿Vendrá la policía?

Ik kan morgen komen.

Puedo venir mañana.

Komen ze morgen hiernaartoe?

- ¿Vendrán aquí mañana?
- ¿Ellos vendrán aquí mañana?

Waar komen baby's vandaan?

¿De dónde vienen los bebés?

Wanneer kunt ge komen?

¿Cuándo puedes venir?

Hij moet onmiddellijk komen.

¡Él debe venir de inmediato!

Hij zal zeker komen.

Seguro que vendrá.

Bedankt voor het komen.

Gracias por venir.

Kan je morgen komen?

¿Puedes venir mañana?

Waar komen ze vandaan?

¿De dónde son?

Ze komen uit Griekenland.

Son de Grecia.

Zij komen uit IJsland.

Son de Islandia.

Wij komen uit Frankrijk.

Somos de Francia.

Ze zal straks komen.

Ella vendrá pronto.

Jane zal waarschijnlijk komen.

Es probable que Jane venga.

Zij komen uit Zweden.

Vienen de Suecia.

We komen in vrede.

Vinimos en paz.

Wanneer gaat u komen?

¿Cuándo vendrás?

Wij komen uit Duitsland.

Somos de Alemania.

Ik moet maandag komen.

Tengo que venir el lunes.

Waar komen jullie vandaan?

- ¿De dónde venís?
- ¿De dónde vienen?

We komen uit Spanje.

Venimos de España.

Mag ik weer komen?

- ¿Puedo volver otra vez?
- ¿Podría volver?

Kan ik ook komen?

¿También puedo venir yo?

Ze zal waarschijnlijk komen.

Ella probablemente vendrá.

Soms komen dromen uit.

A veces los sueños se hacen realidad.

Wanneer komen ze aan?

¿Cuándo llegarán?