Translation of "Was" in Spanish

0.022 sec.

Examples of using "Was" in a sentence and their spanish translations:

- Was u!
- Was jezelf!

¡Lávate!

- Ik was verdrietig.
- Ik was droevig.
- Ik was bedroefd.

Estuve triste.

- Was de groente.
- Was de groenten.
- Was de groentes.

Limpia las verduras.

- Was uw voeten.
- Was je voeten.

Lávate los pies.

- Niemand was aanwezig.
- Er was niemand.

- Nadie estaba presente.
- No había nadie presente.
- No había nadie.
- Nadie estaba allí.

- Tom was gewond.
- Tom was gekwetst.

Tom fue herido.

- Tom was ontzet.
- Tom was geschrokken.

Tom estaba horrorizado.

- Tom was gedesillusioneerd.
- Tom was ontgoocheld.

Tom estaba desilusionado.

- Tom was verbaasd.
- Tom was stomverbaasd.

Tom estaba sorprendido.

- Het was steenhard.
- Dat was keihard.

- Estaba tan duro como una roca.
- Estaba duro como una piedra.
- Estaba duro como piedra.
- Era duro como piedra.
- Estaba duro cual piedra.
- Era duro como la piedra.

- Ik was naïef.
- Ik was lichtgelovig.

Yo era ingenuo.

- Ik was gefrustreerd.
- Ik was gedwarsboomd.

Estaba frustrado.

- Tom was depressief.
- Tom was gedeprimeerd.

Tom estaba deprimido.

- Ik was gelukkig.
- Ik was blij.

Yo estaba contento.

- Was je daar?
- Was u daar?

¿Estabas allí?

- Tom was nerveus.
- Tom was zenuwachtig.

Tom estaba nervioso.

- Ik was stomdronken.
- Ik was dronken.

Estaba borracho.

- Ze was depressief.
- Ze was gedeprimeerd.

Ella estaba deprimida.

- Het was steenhard.
- Het was bikkelhard.

Estaba tan duro como una roca.

- Ik was leraar.
- Ik was lerares.

- Yo era profesor.
- Yo era profesora.

- Hij was volhardend.
- Hij was hardnekkig.

Él era persistente.

- Het was verschrikkelijk!
- Het was vreselijk!

¡Fue horrible!

- Ik was uitgeput.
- Hij was uitgeput.

Estaba exhausto.

- Ik was mij.
- Ik was me.

- Yo me lavo.
- Me estoy lavando.
- Me lavo.

- Je was erbij.
- Je was daar.

Estuviste ahí.

- Was het leuk?
- Was het gezellig?

¿Era divertido?

Was alles.

- Lavá todo.
- Lava todo.

Was jezelf!

¡Lávate!

Was u!

¡Lávate!

- Dat was heel plezant.
- Dat was heel amusant.
- Dat was heel grappig.
- Dat was heel plezierig.

Fue muy divertido.

- Het was steenhard.
- Het was keihard.
- Het was zo hard als een kei.
- Het was bikkelhard.

- Estaba tan duro como una roca.
- Era duro como piedra.
- Estaba duro cual piedra.

- Er was niemand daar.
- Er was niemand.
- Er was daar geen hond.
- Er was daar niemand.

No había nadie.

Ze was mooi toen ze jong was.

- Ella era muy guapa cuando era joven.
- Ella era hermosa cuando joven.

- Er was niemand.
- Er was niemand aanwezig.

No había nadie.

- Er was niemand thuis.
- Niemand was thuis.

No había nadie en casa.

Hoewel hij arm was, was hij gelukkig.

- Pese a ser pobre, era feliz.
- A pesar de ser pobre, era feliz.

- Wat was dat?
- Wat was dat dan?

- ¿Qué fue eso?
- ¿Qué era eso?
- ¿Qué ha sido eso?

- Niemand was aanwezig.
- Er was niemand aanwezig.

Nadie estaba presente.

- Er was niemand daar.
- Er was niemand aanwezig.
- Er was daar niemand.

- Allí no había nadie.
- No había nadie ahí.

- Het was heel heet.
- Het was heel warm.
- Het was erg heet.

Hacía mucho calor.

- Hoe was jouw avond?
- Hoe was uw avond?
- Hoe was jullie avond?

- ¿Qué tal tu noche?
- ¿Cómo estuvo tu noche?
- ¿Cómo has pasado la noche?

- Wiens idee was dit?
- Wiens idee was het?
- Wiens idee was dat?

- ¿De quién fue idea eso?
- ¿De quién fue la idea?
- ¿De quién fue esa idea?

- Dit was zeer moeilijk.
- Dit was heel moeilijk.
- Dit was erg moeilijk.

Era muy difícil.

- Haar toespraak was uitmuntend.
- Haar speech was uitstekend.
- Zijn speech was uitstekend.

Su discurso fue excelente.

- Het was steenhard.
- Het was zo hard als steen.
- Het was bikkelhard.

Estaba duro como una piedra.

- Het was steenhard.
- Het was zo hard als een kei.
- Het was bikkelhard.

- Estaba tan duro como una roca.
- Era duro como piedra.

- Het antwoord was gemakkelijk.
- Het antwoord was makkelijk.

La respuesta era fácil.

Het was koud, en bovendien was er wind.

Estaba frío y, además, había viento.

- Het was heet gisteren.
- Gisteren was het heet.

- Ayer hacía calor.
- Ayer hizo calor.

- Jane was niet blij.
- Jane was niet gelukkig.

Jane no estaba feliz.

Was er iemand hier toen ik weg was?

¿Estuvo alguien aquí mientras yo estaba fuera?

- Gisteren was ik ziek.
- Ik was ziek gisteren.

- Estuve enfermo ayer.
- Ayer estaba enfermo.
- Ayer estaba enferma.

- Haar toespraak was uitmuntend.
- Haar speech was uitstekend.

Su discurso fue excelente.

- Gisteren was het koud.
- Het was gisteren koud.

Ayer hizo frío.

- Hij was erg arm.
- Hij was heel arm.

Él era muy pobre.

- Tom was er kapot van.
- Tom was ontroostbaar.

Tom estaba devastado.

- Het was warm gisternacht.
- Gisternacht was het heet.

Anoche hizo calor.

- Zijn schuldgevoel was afgenomen.
- Zijn schuldgevoel was verminderd.

Su sentimiento de culpabilidad disminuyó.

Toen ze jong was, was ze zeer populair.

Cuando ella era joven, era muy popular.

- Het bloed was felrood.
- Het bloed was helderrood.

La sangre era de un rojo brillante.

- Dat was geen ongeval.
- Het was geen ongeluk.

No fue un accidente.

- De geur was onuitstaanbaar.
- De geur was ondraaglijk.

El olor era insoportable.

- Er was niemand daar.
- Er was niemand aanwezig.

No había nadie ahí.

- Hij was heel zenuwachtig.
- Hij was heel nerveus.

Estaba muy nervioso.

- De lucht was blauw.
- De hemel was blauw.

El cielo estaba azul.

- Je gedrag was beschamend.
- Jouw gedrag was schandalig.

Tu comportamiento fue vergonzoso.

- Het was een groepsinspanning.
- Het was een groepsprestatie.

Fue un esfuerzo colectivo.

- De omgeving was adembenemend.
- Het landschap was adembenemend.

La vista era sobrecogedora.

- Er was veel wind.
- Het was heel winderig.

Hacía mucho viento.

- Hoe was uw interview?
- Hoe was je interview?

¿Qué tal estuvo su entrevista?

- Het was erg donker.
- Het was heel donker.

Estaba muy oscuro.

- Haar onhandigheid was onvoorstelbaar.
- Haar ongemak was onvoorstelbaar.

Su incomodidad fue extraña.

- Hij was erg blij.
- Hij was erg gelukkig.

Él era muy feliz.

- Dat was een leugen.
- Het was een leugen.

Era mentira.

- Wiens idee was dit?
- Wiens idee was dat?

- ¿De quién fue idea eso?
- ¿De quién fue esa idea?

- Zijn antwoord was negatief.
- Zijn antwoord was ontkennend.

Su respuesta fue negativa.

- Het was heel heet.
- Het was erg heet.

Hacía mucho calor.

- Er was niemand aanwezig.
- Er was daar niemand.

- Allí no había nadie.
- Nadie estaba allí.

- Dat was een leugen.
- Dit was een leugen.

Eso fue una mentira.

- De oceaan was rustig.
- De zee was kalm.

El mar estaba en calma.

- Jij was de mijne.
- Je was van mij.

- Eras mío.
- Eras mía.