Translation of "Dit" in Polish

0.036 sec.

Examples of using "Dit" in a sentence and their polish translations:

- Dit is voldoende.
- Dit is genoeg.
- Dit volstaat.

Może być.

- Wil je dit?
- Wilt u dit?
- Willen jullie dit?

Chcesz to?

Dit betekent voedsel. Dit betekent energie.

To oznacza jedzenie. To oznacza energię.

Dit is anders. Dit is interessant.

To coś innego. To ciekawe.

- Dit is makkelijk.
- Dit is eenvoudig.

To jest łatwe.

- Dit is eten.
- Dit is voedsel.

To jest jedzenie.

- Kopieer dit alstublieft.
- Kopieer dit alsjeblieft.

Proszę to skopiować.

- Waarvoor dient dit?
- Waartoe dient dit?

Do czego to służy?

- Is dit van belang?
- Telt dit?

Czy to się liczy?

Dit jaar...

W tym roku...

Probeer dit.

Spróbuj tego.

Voel dit.

Poczuj to.

Gebruik dit!

Użyj tego.

Dit functioneert.

To działa.

Onderteken dit.

Podpisz to.

Check dit.

Sprawdź to.

Hou dit.

Trzymaj to.

Draag dit.

Przenieś to.

Pak dit.

Weź to.

Repareer dit.

Napraw to.

Lees dit.

- Przeczytaj to.
- Przeczytajcie to.

Ruik dit.

Powąchaj to.

- Dit is uw sleutel.
- Dit is jouw sleutel.
- Dit is jullie sleutel.
- Dit is je sleutel.

To twój klucz.

- Ga jij dit gebruiken?
- Ga je dit gebruiken?
- Gaat u dit gebruiken?
- Gaan jullie dit gebruiken?

Czy będziesz tego używał?

- Wanneer gebeurde dit?
- Wanneer is dit gebeurd?

Kiedy to się stało?

- Dit ei ruikt slecht.
- Dit ei stinkt.

To jajko brzydko pachnie.

- Waarom is dit gebeurd?
- Waarom gebeurde dit?

Dlaczego to się stało?

- Ken je dit liedje?
- Kent u dit liedje?
- Kennen jullie dit liedje?

Znasz tą piosenkę?

- Waarom doe je dit?
- Waarom doet u dit?
- Waarom doen jullie dit?

Czemu Ty to robisz?

- Is dit jouw pen?
- Is dit uw pen?
- Is dit jullie pen?

Czy to twój długopis?

- Ga jij dit gebruiken?
- Ga je dit gebruiken?
- Gaan jullie dit gebruiken?

Czy będziesz tego używał?

- Is dit jouw fiets?
- Is dit uw fiets?

Czy to twój rower?

- Dit is een paard.
- Dit is een ros.

To jest koń.

- Kan ik dit houden?
- Mag ik dit houden?

Czy mogę to zatrzymać?

- Dit is een tv.
- Dit is een televisie.

To jest telewizor.

- Hoeveel kost dit uurwerk?
- Hoeveel kost dit horloge?

Ile kosztuje ten zegarek?

- Wat is dit?
- Wat is dit in hemelsnaam?

- Co to ma być?
- Co do diabła to jest?

- Is dit jouw boek?
- Is dit uw boek?

Czy to twoja książka?

- Is dit jouw paraplu?
- Is dit jullie paraplu?

- To Twój parasol?
- Czy to twoja parasolka?

- Dit gesprek wordt geregistreerd.
- Dit gesprek wordt opgenomen.

Ta rozmowa jest nagrywana.

- Ga jij dit gebruiken?
- Gebruik je het?
- Ga je dit gebruiken?
- Gaat u dit gebruiken?
- Gaan jullie dit gebruiken?

Czy będziesz tego używał?

- Wat moet dit voorstellen?
- Wat is dit in hemelsnaam?
- Wat is dit in godsnaam?

Co to jest, do diabła?

Dit is onverstandig.

To niemądre.

Dit ontdekten we.

Oto co odkryliśmy.

Lijkt dit vergezocht?

Brzmi to dość naciąganie?

Door dit ijs.

przebić się przez lód.

Dit is ongelooflijk.

Niewiarygodne.

Dit gaat eromheen.

To wkładamy tutaj,

Dit gaat daarop.

a to tu.

'Dit is ongelooflijk.'

Teraz to było szaleństwo.

Dit wordt gevaarlijk.

Robi się dość niebezpiecznie.

Dit wordt krap.

Niesamowicie ciasno.

Dit is scherp.

To jest ostre.

Dit wordt moeilijk.

To będzie trudne.

En dit erin.

I wkładam je do środka.

Lees dit boek.

Przeczytaj tę książkę.

Wat is dit?

Co to takiego?

Dit is communisme.

Oto komunizm.

Dit is moeilijk.

To jest trudne.

Dit smaakt goed.

To smakuje dobrze.

Dit is gratis.

To jest bezpłatne.

Dit klinkt verdacht.

Brzmi podejrzanie.

Dit is nieuw.

To jest nowe.

Wie is dit?

Kto to jest?

Hoeveel kost dit?

Ile to kosztuje?

Dit ben ik.

To ja.

Ik wilde dit.

Chciałem to.

Is dit Frans?

Czy to jest francuskie?

Tom wil dit.

Tom chce tego.

Dit is eng.

To jest zatrważające.

Neem dit aan.

Weź to.

Is dit liefde?

- Czy to jest miłość?
- Czy to miłość?

Dit is Italië.

- To Włochy.
- To są Włochy.

Maak dit af.

Skończ to.

Vertaal dit alsjeblieft.

Proszę przetłumacz to.

Drink dit sap!

Pij ten sok.

Ze willen dit.

- Chcą tego.
- Oni tego chcą.

Dit is perfect.

To wspaniale.

Zie je dit?

Widzisz to?

Tom weet dit.

Tom to wie.

Houd dit vast.

Potrzymaj.

Dit is spaghetti.

To jest spaghetti.

Doet dit pijn?

Czy to boli?

Ik wil dit.

Chcę to.

Wist jij dit?

Czy wiedziałeś o tym?