Translation of "Mij" in German

0.017 sec.

Examples of using "Mij" in a sentence and their german translations:

Wie mij liefheeft volge mij.

Wer mich liebt, der folge mir!

- Jij hielp mij.
- U hielp mij.
- Jullie hielpen mij.
- Jij hebt mij geholpen.
- U heeft mij geholpen.
- Jullie hebben mij geholpen.

- Du hast mir geholfen.
- Sie haben mir geholfen.
- Ihr habt mir geholfen.

- Vergeet mij niet!
- Vergeet mij niet.

Vergiss mich nicht!

- Wacht op mij.
- Wacht op mij!

- Warte auf mich!
- Wartet auf mich!
- Warten Sie auf mich!

- Hij ontwijkt mij.
- Hij mijdt mij.

- Er meidet mich.
- Er schneidet mich.

Volg mij!

- Folgen Sie mir!
- Folgt mir!
- Folge mir!

Zonder mij.

Ich mach da nicht mehr mit.

Excuseer mij!

Entschuldige mich!

Mij best.

Das klingt gut.

Telefoneer mij!

Ruf mich an!

Spaar mij!

Verschone mich!

Volg mij.

- Folgen Sie mir.
- Folgt mir nach.
- Komm mir hinterher.

Help mij!

Helfen Sie mir!

Kom speel met mij, ik verveel mij!

Los, spiel' mit mir, mir ist so langweilig!

- Judy bekeek mij.
- Judy keek naar mij.

Judy hat mich angeschaut.

- Breng het mij.
- Breng het naar mij.

- Bring es mir.
- Bringen Sie es mir.

- Ze hielpen mij.
- Ze hebben mij geholpen.

Sie haben mir geholfen.

- Hij hielp mij.
- Hij heeft mij geholpen.

Er hat mir geholfen.

- Zij hielp mij.
- Zij heeft mij geholpen.

Sie hat mir geholfen.

- Maria hielp mij.
- Maria heeft mij geholpen.

- Maria hat mir geholfen.
- Maria half mir.

- Hoor je mij?
- Hoort u mij?
- Hoor je me?
- Horen jullie mij?

Hörst du mich?

- Heb je mij gegoogeld?
- Heeft u mij gegoogeld?
- Hebben jullie mij gegoogeld?

Hast du mich gegoogelt?

- Mij is het gelijk.
- Mij om het even.
- Dat maakt mij niets uit.
- Dat kan mij niets schelen.

Das ist mir egal.

- Hij zat tegenover mij.
- Hij zat voor mij.

Er saß vor mir.

- Ze vertrouwde mij.
- Ze had vertrouwen in mij.

Sie vertraute mir.

- Laat mij eens proberen.
- Laat mij het proberen.

- Lass mich versuchen.
- Lass mich mal probieren.

- Praat niet tegen mij.
- Praat niet tegen mij!

- Sprich nicht mit mir.
- Sprecht nicht mit mir!

- Ga maar zonder mij.
- Ga verder zonder mij.

Macht ohne mich weiter.

- Ze horen bij mij.
- Ze zijn bij mij.

- Die gehören zu mir.
- Sie sind bei mir.

- Geef het aan mij!
- Geef het aan mij.

Gib es mir.

- Die kerel ergert mij.
- Die vent ergert mij.

- Dieser Typ nervt mich.
- Dieser Typ geht mir auf die Nerven.

- Zij noemt mij Kenji.
- Ze noemt mij Kenji.

Sie nennt mich Kenji.

- Plots zag hij mij.
- Plotseling zag hij mij.

- Plötzlich hat er mich erblickt.
- Plötzlich sah er mich.

- Geef mij een voorbeeld.
- Toon mij een voorbeeld.

Geben Sie mir ein Beispiel an.

- Deze zijn van mij.
- Dat is van mij.

- Das gehört mir.
- Das ist meine Angelegenheit.
- Das ist mein Zeugs.
- Die gehören mir.
- Diese sind von mir.
- Dieser gehört uns.

- Blijf hier met mij.
- Blijf hier bij mij.

Bleib mit mir hier.

- U blijft bij mij.
- Jullie blijven bij mij.

Ihr bleibt bei mir.

- Het gaat mij goed.
- Mij gaat het goed.

- Mir geht's gut.
- Mir geht es gut.

Judy bekeek mij.

Judy schaute mich an.

Ze ontwijkt mij.

Sie geht mir aus dem Weg.

Laat mij betalen.

- Lass mich bezahlen.
- Lass mich zahlen.

Vertrouw op mij.

- Vertrau mir!
- Vertraue mir!

Laat mij alleen!

Lass mich in Ruhe!

Vergeet mij niet.

Vergiss mich nicht.

Noem mij Ismael.

- Nenne mich Ishmael.
- Nennt mich Ismael.
- Nenne mich Ismael.
- Nennen Sie mich Ismael.
- Nenn mich Ishmael.

Kent ze mij?

Kennt sie mich?

Niemand geloofde mij.

- Niemand glaubt mir.
- Keiner glaubt mir.
- Niemand glaubte mir.

Blijf bij mij.

Bleib bei mir.

Volg mij niet.

- Laufe mir nicht hinterher!
- Komm mir nicht hinterher!
- Kommen Sie mir nicht hinterher!

Laat mij spreken.

Lass mich sprechen.

Tom haat mij.

Tom hasst mich.

Bedoelde u mij?

- Meinst du mich?
- Meinten Sie mich?

Bedreig je mij?

- Drohst du mir?
- Drohen Sie mir?
- Droht ihr mir?

Ziet u mij?

- Seht ihr mich?
- Sehen Sie mich?

Onderschat mij niet.

Unterschätzen Sie mich nicht.

Praat met mij!

- Rede mit mir!
- Sprich mit mir.

Feestjes vervelen mij.

Ich langweile mich auf Feiern.

Geef mij water.

Gib mir Wasser.

Ik was mij.

Ich wasche mich.

Vergeet mij niet!

Vergiss mich nicht!

Kent hij mij?

Kennt er mich?

Hij verraadde mij.

Er hat mich verraten.

Volg mij alstublieft.

- Folgen Sie mir bitte.
- Würden Sie mir bitte folgen.
- Folgen Sie mir, bitte.

Wacht op mij!

Warte auf mich!

Buitenlanders verbluffen mij.

Ausländer verblüffen mich.

Gelooft gij mij?

- Glaubst du an mich?
- Glaubst du mir?