Translation of "Hebben" in German

0.050 sec.

Examples of using "Hebben" in a sentence and their german translations:

- Ze hebben afgezegd.
- Zij hebben afgezegd.
- Ze hebben geannuleerd.
- Zij hebben geannuleerd.

- Sie kündigten.
- Sie sagten ab.

- Wij hebben honger.
- We hebben honger.

Wir haben Hunger.

- Ze hebben geannuleerd.
- Zij hebben geannuleerd.

- Sie kündigten.
- Sie sagten ab.

Muren hebben oren, papieren schuifdeuren hebben ogen.

Wände haben Ohren, Schiebetüren aus Papier haben Augen.

Ze hebben niet wat we nodig hebben.

Das, was wir benötigen, haben sie nicht.

- We hebben geknuffeld.
- We hebben elkaar omhelsd.

Wir umarmten uns.

- We hebben u nodig.
- We hebben je nodig.
- We hebben jullie nodig.

- Wir brauchen dich.
- Wir brauchen Sie.
- Wir brauchen euch.

- We hebben het opgelost.
- We hebben het uitgevogeld.
- We hebben een oplossing gevonden.
- We hebben een oplossing bedacht.

Wir haben eine Lösung ausgedacht.

We hebben 11 talenversies, we hebben miljoenen kijkers,

Es gibt uns in elf Sprachen, wir haben Millionen Besucher,

- Wij hebben twee kinderen.
- We hebben twee kinderen.

Wir haben zwei Kinder.

- We hebben hen gezien.
- We hebben hem gezien.

Wir haben ihn gesehen.

De muren hebben oren, de deuren hebben ogen.

Die Wände haben Ohren, die Türen haben Augen.

- Ze hebben ons gered.
- Zij hebben ons gered.

Sie haben uns gerettet.

- Ze hebben alles verloren.
- Zij hebben alles verloren.

Sie haben alles verloren.

- Ze hebben het verpest.
- Zij hebben het verpest.

- Sie ruinierten es.
- Sie haben es ruiniert.

- Ze hebben Tom uitgezet.
- Ze hebben Tom gedeporteerd.

Sie schoben Tom ab.

- Ze hebben het druk.
- Zij hebben het druk.

- Sie haben zu tun.
- Sie sind beschäftigt.

- Wij hebben twee kinderen.
- We hebben twee zoons.

- Wir haben zwei Kinder.
- Wir haben zwei Söhne.

- Ze hebben misschien opgegeven.
- Misschien hebben ze opgegeven.

- Vielleicht haben sie aufgegeben.
- Vielleicht haben die aufgegeben.

- We hebben het gehaald.
- We hebben het gered.

- Wir haben es geschafft!
- Wir haben es geschafft.

- We hebben drie kinderen.
- Wij hebben drie kinderen.

Wir haben drei Kinder.

- Ze hebben een gezin.
- Ze hebben een familie.

Sie haben Familie.

- Wetenschappers hebben zwaartekrachtgolven waargenomen.
- Wetenschappers hebben zwaartekrachtgolven gedetecteerd.

Wissenschaftler haben Gravitationswellen entdeckt.

- We hebben u nodig.
- We hebben je nodig.

Wir brauchen dich.

Bevestiging te hebben .

.

Al hebben gehad.

bereits gesprochen haben.

hebben nooit liefdesverdriet,

haben niemals gebrochene Herzen,

We hebben gekozen.

Wir haben uns dafür entschieden.

Ze hebben tweelingdochters.

Sie haben Zwillingstöchter.

Hebben jullie haast?

Sind Sie in Eile?

Hebben schildpadden tanden?

Haben Schildkröten Zähne?

We hebben haast.

Wir haben es eilig.

We hebben gebeld.

Wir haben telefoniert.

Hebben jullie zussen?

Habt ihr Schwestern?

Hebben jullie dorst?

Habt ihr Durst?

Boerderijen hebben schuren.

Bauernhäuser haben Scheunen.

Hebben jullie kwartjes?

Habt ihr Vierteldollarmünzen?

We hebben het!

Wir haben es!

Ze hebben honger.

Sie haben Hunger.

Hebben jullie kinderen?

Habt ihr Kinder?

We hebben haar!

Wir haben sie!

Hebben jullie rijst?

- Haben Sie Reis?
- Habt ihr Reis?

We hebben sportles.

Wir haben Sportunterricht.

We hebben geluncht.

Wir aßen zu Mittag.

We hebben eieren.

Wir haben Eier.

Zij hebben water.

Sie haben Wasser.

We hebben wijn.

Wir haben Wein.

Zij hebben wijn.

Sie haben Wein.

We hebben gasten.

- Wir haben Gäste.
- Wir haben Besuch.

Vogels hebben vleugels.

Vögel haben Flügel.

Ze hebben gelogen.

Sie haben gelogen.

We hebben gewonnen!

Wir haben gewonnen!

We hebben gelijk.

Wir haben recht.

Ze hebben gelijk.

- Sie haben recht.
- Sie haben Recht.

We hebben verloren.

Wir haben verloren.

Hebben jullie dieren?

Habt ihr Tiere?

We hebben ontbeten.

- Wir aßen Frühstück.
- Wir haben Frühstück gegessen.

We hebben alles.

Wir haben alles.

We hebben tijd.

Wir haben Zeit.

We hebben bezoek.

Wir haben Besuch.

We hebben geknuffeld.

Wir umarmten uns.

We hebben genoeg.

Wir haben genug.

Hebben ze het?

Haben sie das?

Jullie hebben gewonnen.

Du hast gewonnen.

We hebben turnles.

Wir haben Turnunterricht.

Ze hebben gegeten.

Sie aßen.

Koeien hebben uiers.

Kühe haben Euter.