Translation of "Heeft" in German

0.023 sec.

Examples of using "Heeft" in a sentence and their german translations:

Heeft heeft succes in alles.

- Er ist in allem erfolgreich.
- Ihm gelingt alles.

- Hij heeft longkanker.
- U heeft longkanker.
- Ze heeft longkanker.

Er hat Lungenkrebs.

- Ze heeft ongelijk.
- Hij heeft ongelijk.

Er hat unrecht.

- Ze heeft geluk.
- Zij heeft geluk.

Sie hat Glück.

- Tom heeft bekend.
- Tom heeft gebiecht.

- Tom hat gebeichtet.
- Tom gestand.
- Tom beichtete.

- Hij heeft gewonnen.
- Zij heeft gewonnen.

Sie hat gewonnen.

- Heeft Tom gereageerd?
- Heeft Tom geantwoord?

- Hat Tom reagiert?
- Hat Tom geantwortet?

- Hij heeft niets.
- Ze heeft niets.

- Er hat nichts.
- Sie hat nichts.

God heeft gegeven, God heeft genomen.

Gott hat gegeben, Gott hat genommen.

- Heeft u kinderen?
- Heeft hij kinderen?

- Hat er Kinder?
- Haben Sie Kinder?

- Ze heeft vooruitbetaald.
- Zij heeft vooruitbetaald.

Sie hat im Voraus bezahlt.

- Maria heeft hoofdpijn.
- Maria heeft koppijn.

Maria hat Kopfschmerzen.

- Tom heeft een keelontsteking.
- Tom heeft een keelamandelontsteking.
- Tom heeft tonsillitis.

- Tom hat Angina.
- Tom hat eine Mandelentzündung.

- Tom heeft het mis.
- Tom heeft ongelijk.

- Tom irrt sich.
- Tom hat unrecht.

- Tom heeft OCD.
- Tom heeft een dwangstoornis.

- Tom leidet unter Zwängen.
- Tom leidet an einer Zwangserkrankung.

- Tom heeft een beugel.
- Tom heeft beugels.

Tom hat Hosenträger.

Wie de kracht heeft, heeft het recht.

- Gewalt geht vor Recht.
- Das Recht ist das Recht des Stärkeren.
- Das Recht ist das Recht des Mächtigen.

- Ze heeft geldproblemen.
- Ze heeft financiële problemen.

Sie hat Geldprobleme.

- Wie heeft je gestuurd?
- Wie heeft u gestuurd?
- Wie heeft jullie gestuurd?

- Wer hat dich geschickt?
- Wer hat Sie geschickt?
- Wer hat euch geschickt?

- Wie heeft je geslagen?
- Wie heeft u geslagen?
- Wie heeft jullie geslagen?

- Wer hat dich geschlagen?
- Wer hat Sie geschlagen?
- Wer hat euch geschlagen?

- Heeft jouw land kernwapens?
- Heeft jullie land kernwapens?
- Heeft uw land kernwapens?

- Hat dein Land Atomwaffen?
- Hat Ihr Land Atomwaffen?
- Hat euer Land Atomwaffen?

- Heeft iemand je geholpen?
- Heeft iemand u geholpen?
- Heeft iemand jullie geholpen?

Hat euch jemand geholfen?

- U heeft helemaal gelijk.
- Hij heeft volkomen gelijk.
- Zij heeft helemaal gelijk.

Sie haben vollkommen recht.

- Heeft ze geld nodig?
- Heeft hij geld nodig?
- Heeft u geld nodig?

Brauchen Sie Geld?

- Wat heeft Jean gedaan?
- Wat heeft Jean gemaakt?

- Was hat Jane gemacht?
- Was hat Jean gemacht?

- Hij heeft twaalf zoons.
- Hij heeft twaalf kinderen.

- Er hat zwölf Söhne.
- Er hat zwölf Kinder.

- Heeft u een kredietkaart?
- Heeft u een creditcard?

Haben Sie eine Kreditkarte?

- Natuurlijk, hij heeft gelijk.
- Natuurlijk heeft hij gelijk.

Natürlich hat er recht.

- Wie heeft Tom gedood?
- Wie heeft Tom vermoord?

- Wer hat Tom getötet?
- Wer hat Tom umgebracht?

- Ze heeft weinig vrienden.
- Zij heeft weinig vrienden.

Sie hat wenige Freunde.

- Zij heeft geen vijanden.
- Ze heeft geen vijanden.

Sie hat keine Feinde.

- Ze heeft nat haar.
- Ze heeft natte haren.

Sie hat nasse Haare.

- Zij heeft veel geld.
- Hij heeft veel geld.

- Sie hat viel Geld.
- Er hat viel Geld.

- Zij heeft twee zusters.
- Ze heeft twee zussen.

Sie hat zwei Schwestern.

- Hij heeft zelfmoord gepleegd.
- Hij heeft zichzelf omgebracht.

- Er beging Selbstmord.
- Er hat sich selbst umgebracht.

- Misschien heeft Tom gelijk.
- Tom heeft misschien gelijk.

- Tom könnte recht haben.
- Tom mag recht haben.

- Tom heeft spullen nodig.
- Tom heeft kleding nodig.

Tom braucht Klamotten.

- Tom heeft veel vrienden.
- Tom heeft veel vriendinnen.

Tom hat viele Freunde.

- Zij heeft je nodig.
- Zij heeft u nodig.

- Sie braucht dich.
- Sie braucht Sie.

- Hij heeft je nodig.
- Hij heeft u nodig.

- Er braucht Sie.
- Er braucht dich.

- Zij heeft geld nodig.
- Ze heeft geld nodig.

- Sie braucht Geld.
- Sie benötigt Geld.

- Zij heeft je nodig.
- Hij heeft je nodig.

Er braucht dich.

- Sara heeft eenendertig stiften.
- Sara heeft 31 pennen.

Sara hat einunddreißig Stifte.

- Ze heeft grote borsten.
- Zij heeft grote borsten.

Sie hat große Brüste.

- Wat heeft Tom meegebracht?
- Wat heeft Tom meegenomen?

Was hat Tom mitgebracht?

- Tom heeft geen creditcard.
- Tom heeft geen kredietkaart.

Tom hat keine Kreditkarte.

Tom heeft de informatie die Maria nodig heeft.

Tom hat die Information, die Maria braucht.

- Tom heeft het verbeterd.
- Tom heeft het gecorrigeerd.

- Tom berichtigte es.
- Tom verbesserte es.
- Tom korrigierte es.

- Ze heeft twintig kinderen.
- Zij heeft twintig kinderen.

Sie hat zwanzig Kinder.

- Heeft Tom een tatoeage?
- Heeft Tom een tattoo?

- Hat Tom eine Tätowierung?
- Ist Tom tätowiert?

- Zij heeft droog haar.
- Hij heeft droog haar.

- Sie hat trockenes Haar.
- Sie hat trockene Haare.
- Er hat trockenes Haar.
- Er hat trockene Haare.

Maria heeft geen kinderen, maar heeft drie neefjes.

Kinder hat Maria nicht, dafür aber drei Neffen.

- Ze heeft hulp nodig.
- Hij heeft hulp nodig.

Sie braucht Hilfe.

- Ze heeft een hartkwaal.
- Ze heeft een hartaandoening.

Sie war herzkrank.

- Heeft Lucy al gebeld?
- Heeft Lucy al getelefoneerd?

Hat Lucy schon angerufen?

- Japan heeft regelmatig aardbevingen.
- Japan heeft dikwijls aardbevingen.

In Japan gibt es häufig Erdbeben.

- Uiteindelijk heeft Tom bekend.
- Tom heeft eindelijk bekend.

- Tom hat schlussendlich gestanden.
- Tom hat schließlich gestanden.

Tom heeft gewonnen maar Hans daarentegen heeft verloren.

Tom hat gewonnen, Hans hingegen hat verloren.

- Ze heeft groene ogen.
- Hij heeft groene ogen.

- Sie hat grüne Augen.
- Er hat grüne Augen.

- Hij heeft een beslissing genomen.
- Hij heeft besloten.

Er hat eine Entscheidung getroffen.

- Ze heeft weinig vrienden.
- Zij heeft weinig vrienden.
- Ze heeft niet zo veel vrienden.

- Sie hat wenige Freunde.
- Sie hat nicht viele Freunde.

heeft mogen voegen.

nicht anschließen durfte .

Heeft hij broers?

Hat er Brüder?

Heeft hij kinderen?

Hat er Kinder?

Iedereen heeft zwakheden.

Jeder hat Schwächen.

Tom heeft huurachterstand.

- Tom ist mit seiner Miete im Rückstand.
- Tom ist mietsäumig.