Translation of "Komen" in German

0.007 sec.

Examples of using "Komen" in a sentence and their german translations:

- We komen.
- We komen eraan!

Wir kommen.

- U kunt komen.
- Je kunt komen.
- Jullie kunnen komen.

- Du kannst mitkommen.
- Sie können kommen.

- Hij kan komen.
- Hij mag komen.

Er kann kommen.

- Mag ik komen?
- Kan ik komen?

- Kann ich kommen?
- Darf ich kommen?

- Ze gaan komen.
- Zij gaan komen.

Sie werden kommen.

- Hij wil komen.
- Zij wil komen.

Sie will kommen.

We komen.

Wir kommen.

Komen ze?

Kommen sie?

- Komen zij ook?
- Of zij ook komen?

Ob sie auch kommen?

- Zij wilden zelf komen.
- Ze wilden zelf komen.

Sie wollten selbst kommen.

- Hij zou moeten komen.
- Zij zou moeten komen.

Er sollte kommen.

Er komen roofdieren.

...sondern auch Raubtiere.

Komen zij ook?

Kommen die auch?

Hij mag komen.

- Er kann kommen.
- Er darf kommen.

Kan je komen?

- Kannst du kommen?
- Könnt ihr kommen?
- Können Sie kommen?
- Denkst du, dass du kommen kannst?

Dromen komen uit.

- Träume gehen in Erfüllung.
- Träume werden wahr.

Zal ze komen?

Wird sie kommen?

Hij zal komen.

Er wird kommen.

De mannen komen.

Die Männer kommen.

Ze komen aan.

Sie kommen.

Zij wil komen.

Sie will kommen.

Wil Tom komen?

Möchte Tom kommen?

Hij moet komen.

Er muss kommen.

Wanneer komen ze?

Wann kommen sie?

Tom zal komen.

Tom wird kommen.

Komen jullie niet?

Kommt ihr da nicht mit?

Zij gaan komen.

Sie werden kommen.

We zullen komen.

Wir werden kommen.

U kunt komen.

- Sie können kommen.
- Die können kommen.

Zij komen hierheen.

Sie kommen hierher.

Ik kan komen.

Ich kann kommen.

Ik wil komen.

Ich will kommen.

We komen eraan!

Wir kommen.

Je kunt komen.

Du kannst mitkommen.

Komen jullie mee?

- Kommt ihr mit?
- Gehst du mit?

- We komen.
- We komen eraan!
- We komen er zo aan.
- We zijn er zo.

Wir kommen.

- Waarom kunt ge niet komen?
- Waarom kan je niet komen?
- Waarom kunnen jullie niet komen?
- Waarom kunt u niet komen?

- Warum kannst du nicht kommen?
- Warum könnt ihr nicht kommen?
- Warum können Sie nicht kommen?

- Wanneer kunt ge komen?
- Hoe laat kun je komen?

Wann kannst du kommen?

- Mensen komen en gaan.
- Mensen komen en mensen gaan.

Menschen kommen und gehen.

- Hoe laat kun je komen?
- Hoe laat kunt u komen?
- Hoe laat kunnen jullie komen?

- Wann kannst du kommen?
- Um welche Zeit kannst du kommen?

- Waar komen jouw voorouders vandaan?
- Waar komen uw voorouders vandaan?
- Waar komen jullie voorouders vandaan?

- Woher sind deine Vorfahren?
- Woher kommen Ihre Vorfahren?
- Woher kommen eure Vorfahren?

- Om hoe laat kunt ge komen?
- Tegen welk uur kunt ge komen?
- Hoe laat kun je komen?
- Hoe laat kunt u komen?
- Hoe laat kunnen jullie komen?

Um welche Zeit kannst du kommen?

- „Wanneer komen jullie?” — „We komen de volgende maand.”
- „Wanneer komt u?” — „We komen de volgende maand.”

„Wann kommen Sie?“ – „Wir kommen nächsten Monat.“

- Waarom kunt ge niet komen?
- Waarom kan je niet komen?

- Warum kannst du nicht kommen?
- Warum könnt ihr nicht kommen?
- Warum können Sie nicht kommen?

- U moet niet komen morgen.
- Jullie moeten niet komen morgen.

- Sie müssen morgen nicht kommen.
- Du brauchst morgen nicht zu kommen.
- Sie brauchen morgen nicht zu kommen.
- Ihr braucht morgen nicht zu kommen.

- Kan je vanavond komen dineren?
- Kunt u vanavond komen dineren?

- Kannst du heute zum Abendessen kommen?
- Könnt ihr heute zum Abendessen kommen?

- Laat het geld maar komen!
- Laat de poen maar komen!

Geld her!

Bedankt voor het komen.

- Danke, dass ihr gekommen seid.
- Danke fürs Kommen.

Kunt ge zondagavond komen?

Kannst Du am Sonntagabend kommen?

Ze komen niet vandaag.

Sie kommen nicht heute.

Zal de politie komen?

Wird die Polizei kommen?

Ik kan morgen komen.

Ich kann morgen kommen.

Komen ze morgen hiernaartoe?

- Kommen sie morgen her?
- Kommen sie morgen hierher?

Wanneer kunt ge komen?

Wann kannst du kommen?

Ook ik wil komen.

Ich möchte auch kommen!

Hij moet onmiddellijk komen.

Er soll sofort kommen!

Hij zal zeker komen.

Er wird sicher kommen.

Kan je morgen komen?

Kannst du morgen kommen?

Waar komen ze vandaan?

- Wo kommen sie her?
- Woher kommen sie?

Zij komen uit IJsland.

- Sie kommen aus Island.
- Sie sind aus Island.

Wij komen uit Frankrijk.

Wir sind aus Frankreich.

Ze zal straks komen.

Sie wird bald kommen.

Jane zal waarschijnlijk komen.

Jane kommt wahrscheinlich.

Zij komen uit Zweden.

Sie kommen aus Schweden.

We komen naar binnen.

Wir kommen herein.

We komen in vrede.

Wir kommen in Frieden.

Wanneer gaat u komen?

Wann wirst du kommen?