Translation of "Uit" in Spanish

0.020 sec.

Examples of using "Uit" in a sentence and their spanish translations:

- De groeten uit Frankrijk!
- Groetjes uit Frankrijk!
- Groeten uit Frankrijk!

¡Saludos desde Francia!

Uit het oog, uit het hart.

Ojos que no ven, corazón que no siente.

- Kijk uit!
- Let op!
- Kijk uit.

¡Atención!

Leg uit.

Explíquese.

Adem uit.

Exhalar.

Blaast het uit en drinkt het uit.

lo apaga y lo bebe.

- Kleed je uit.
- Trek je kleren uit.

- Quítate la ropa.
- Quitaos la ropa.
- Quítese la ropa.
- Quítense la ropa.

- Kijk uit!
- Let op!
- Attentie!
- Kijk uit.

¡Cuidado!

- Maakt niet uit.
- Het maakt niets uit.

No importa.

- Kom je uit Australië?
- Komt u uit Australië?
- Komen jullie uit Australië?

¿Eres de Australia?

- Jij komt uit Zweden.
- U komt uit Zweden.
- Jullie komen uit Zweden.

Tú vienes de Suecia.

...oorspronkelijk uit Baskenland. Mijn moeder kwam uit Colonia...

[Suena "En esta tarde gris"] de gente que vino del país vasco. Mi madre era de Colonia.

- Hij kwam uit Boston.
- Ik kom uit Boston.

Soy de Boston.

- Steek je tong uit.
- Steek je tong uit!

Saca la lengua.

- Ik kom uit China.
- Ik kwam uit China.

Venía de China.

- Kom uit de auto.
- Stap de auto uit.

- Salga del automóvil.
- ¡Sal del coche!

- Verdwijn uit mijn bed.
- Verdwijn uit m'n bed.

- Fuera de mi cama.
- Sal de mi cama.
- Salga de mi cama.
- Salgan de mi cama.
- Salid de mi cama.

- Zet het uit, alsjeblieft!
- Zet het uit, alstublieft!

Apáguelo, por favor.

- Ga uit het water.
- Kom uit het water.

- Salid del agua.
- Sal del agua.

- We zijn uit Duitsland.
- Wij komen uit Duitsland.

Somos de Alemania.

- Zet de tv uit.
- Doe de tv uit.

- Apaga la televisión.
- Apagad la televisión.
- Apaga la tele.
- ¡Apaga la televisión!

- Doe uw schoenen uit.
- Doe je schoenen uit.

- Quítate los zapatos.
- Quítese los zapatos.
- Quítense los zapatos.
- Sacate los zapatos.
- Sáquense los zapatos.

- Schakel het licht uit.
- Doe het licht uit.

- Apaga la luz.
- Apague la luz.

- Leg het alsjeblieft uit.
- Leg het alstublieft uit.

- Explícamelo.
- Explícate.
- ¿Puedes explicarte?

uit rotsen -- ‘litho’

de las rocas, "lito",

Reken maar uit.

Calcula.

Dromen komen uit.

Los sueños se hacen realidad.

Tom ademde uit.

Tom espiró.

Uit mijn ogen!

¡Fuera de mi vista!

Tom rustte uit.

Tom descansó.

Uit welke richting?

¿Desde qué dirección?

Rust goed uit!

Descansa bien.

Schreeuw het uit!

¡Gritalo fuerte!

Schakel alles uit.

Apagadlo todo.

Tom gleed uit.

Tom se resbaló.

Pak het uit.

Desenvuélvalo.

Groeten uit Brazilië!

¡Saludos desde Brasil!

Rust wat uit.

Repósate.

Gaan ze uit?

¿Van a salir?

Voorzichtig! Kijk uit!

¡Ojo! ¡Cuidado!

Ik ga uit.

Voy a salir.

Groeten uit Frankrijk!

¡Saludos desde Francia!

- Je ziet er jonger uit.
- Jij ziet er jonger uit.
- U ziet er jonger uit.
- Jullie zien er jonger uit.

- Pareces más joven.
- Te ves más joven.

- Het ziet er goed uit.
- Hij ziet er goed uit.
- U ziet er goed uit.
- Zij ziet er goed uit.

Tiene buen aspecto.

- Ik kom uit Shizuoka.
- Ik kom uit Shizuoka vandaan.

Soy de Shizuoka.

Marina komt uit Rusland en Clarissa komt uit Zweden.

Marina es de Rusia y Clarissa es de Suecia.

- We gaan uit elkaar.
- We zijn uit elkaar gegaan.

Nos separamos.

- Je ziet er prachtig uit.
- U ziet er prachtig uit.
- Jullie zien er prachtig uit.

Estás guapa.

- Je ziet er Europees uit.
- U ziet er Europees uit.
- Jullie zien er Europees uit.

- Luces europeo.
- Te ves europea.

- Je ziet er prima uit.
- U ziet er prima uit.
- Jullie zien er prima uit.

Te ves muy bien.

- Tom trok zijn shirt uit.
- Tom trok zijn hemd uit.
- Tom trok zijn overhemd uit.

Tom se quitó su camisa.

- Ze barstte in tranen uit.
- Hij barstte in lachen uit.
- Hij brak in tranen uit.

Rompió en lágrimas.

- Je ziet er dwaas uit.
- U ziet er dwaas uit.
- Jullie zien er dwaas uit.

Pareces un idiota.

- Je komt uit Boston, nietwaar?
- U komt uit Boston, nietwaar?
- Jullie komen uit Boston, nietwaar?

Eres de Boston, ¿verdad?

- Je ziet er ziek uit.
- U ziet er ziek uit.
- Jullie zien er ziek uit.

Pareces enfermo.

- Je ziet er vreselijk uit.
- U ziet er vreselijk uit.
- Jullie zien er vreselijk uit.

- Te ves horrible.
- Tienes un aspecto horrible.

- Wij komen beiden uit Tampa.
- We zijn allebei uit Tampa.
- Wij zijn alle twee uit Tampa.

Los dos somos de Tampa.

Misschien zouden deze 'uit het oog, uit het hart'-microben

Tal vez estos microbios fuera de la vista y de la mente

- Je ziet er moe uit.
- U ziet er moe uit.

- Pareces cansado.
- Pareces cansada.
- Usted se ve cansado.
- Tienes cara de sueño.

- Ge ziet er dom uit.
- Je ziet er dom uit.

Pareces estúpido.

- Hoe spreek je "pronounce" uit?
- Hoe spreekt men "pronounce" uit?

¿Cómo se pronuncia "pronounce"?

- Ge ziet er goed uit.
- Je ziet er goed uit.

Tienes buena cara.

- Je ziet er goed uit!
- Je ziet er goed uit.

- Tienes buena cara.
- Tienes buen aspecto.
- ¡Te ves bien!

- Het ziet er vreemd uit.
- Het ziet er raar uit.

Parece extraño.

- Hij ziet er blij uit.
- Hij ziet er gelukkig uit.

Parece feliz.

- Het ziet er goed uit.
- Dat ziet er goed uit.

Las cosas se ven bien.

- Zet de radio uit, alsjeblieft.
- Schakel alstublieft de radio uit.

- Apaga la radio, por favor.
- Por favor, apaga la radio.
- Por favor, apague la radio.
- Apagá la radio, por favor.

- Kijk uit!
- Voorzichtig!
- Let op!
- Opgepast!
- Pas op!
- Kijk uit.

¡Cuidado!

- Tom trok zijn shirt uit.
- Tom trok zijn hemd uit.

- Tom se quitó su camisa.
- Tom se quitó la camisa.

- Hij zag er verbaasd uit.
- Hij zag er verbijsterd uit.

Parecía desconcertado.

- Dat maakt mij niets uit.
- Dat maakt mij niet uit.

- No me importa.
- Eso no me importa.
- Eso no me preocupa.

- Jij ziet er gezond uit.
- Je ziet er gezond uit.

Te ves sano.

- Doe het licht uit alstublieft.
- Doe het licht uit, alstublieft.

- Apaga la luz, por favor.
- Por favor, apaga la luz.
- Apaga la luz por favor.

- Hoe legt ge dat uit?
- Hoe leg je dat uit?

¿Cómo explicas eso?

- Wij komen beiden uit Tampa.
- We zijn allebei uit Tampa.

Los dos somos de Tampa.

- Uit welk land kom je?
- Uit welk land komt u?

¿De qué país eres?