Translation of "Heeft" in Polish

0.011 sec.

Examples of using "Heeft" in a sentence and their polish translations:

- Tom heeft bekend.
- Tom heeft gebiecht.

Tom wyznał.

God heeft gegeven, God heeft genomen.

Bóg dał, Bóg wziął.

- Heeft Tom gereageerd?
- Heeft Tom geantwoord?

Czy Tom odpowiedział?

- Tom heeft een beugel.
- Tom heeft beugels.

Tom ma szelki.

- Ze heeft weinig vrienden.
- Zij heeft weinig vrienden.

Ona ma mało przyjaciół.

- Hij heeft twaalf zoons.
- Hij heeft twaalf kinderen.

- On ma dwanaścioro dzieci.
- On ma aż dwanaścioro dzieci.

- Misschien heeft Tom gelijk.
- Tom heeft misschien gelijk.

Tom może mieć rację.

- Zij heeft twee zusters.
- Ze heeft twee zussen.

Ona ma dwie siostry.

- Tom heeft spullen nodig.
- Tom heeft kleding nodig.

Tom potrzebuje ubrań.

- Zij heeft je nodig.
- Zij heeft u nodig.

- Ona cię potrzebuje.
- Ona Cię potrzebuje.

- Heeft u een kredietkaart?
- Heeft u een creditcard?

- Czy ma pan kartę kredytową?
- Czy posiada pani kartę kredytową?
- Czy posiadają państwo kartę kredytową?

- Japan heeft regelmatig aardbevingen.
- Japan heeft dikwijls aardbevingen.

Japonię nawiedzają częste trzęsienia ziemi.

- Ze heeft grote borsten.
- Zij heeft grote borsten.

Ona ma duże piersi.

- Wat heeft Jean gedaan?
- Wat heeft Jean gemaakt?

Co zrobił Jean?

- Heeft Tom een tatoeage?
- Heeft Tom een tattoo?

Czy Tom ma tatuaż?

- Zij heeft geen vijanden.
- Ze heeft geen vijanden.

Ona nie ma wrogów.

- Wie heeft Tom gedood?
- Wie heeft Tom vermoord?

Kto zabił Toma?

- Ze heeft groene ogen.
- Hij heeft groene ogen.

Ma zielone oczy.

Heeft Bob gelijk?

Czy Bob ma rację?

Wat heeft ze?

Co ona ma?

Tom heeft artritis.

Tom ma artretyzm.

Ze heeft ongelijk.

Ona nie ma powodu.

Iedereen heeft gebreken.

Każdy popełnia błędy.

Niemand heeft gefaald.

Nikt nie zawiódł.

Heeft u lucifers?

Czy ma pan zapałki?

Heeft Tom gebeld?

Czy Tom dzwonił?

Tom heeft geluk.

Tom ma szczęście.

Tom heeft verloren.

Tom przegrał.

Niemand heeft gelogen.

Nikt nie kłamał.

Tom heeft gefaald.

Tom zawiódł.

Niemand heeft gebeld.

Nikt nie dzwonił.

Iedereen heeft betaald.

Wszyscy zapłacili.

Tom heeft kiespijn.

Toma boli ząb.

Ze heeft kinderen.

Ona ma dzieci.

Tom heeft kippen.

Tom ma kurczaki.

Tom heeft voetschimmel.

Tom ma grzybicę stóp.

U heeft gewonnen!

- Wygraliście!
- Wygrałyście!

Iemand heeft gebeld.

Ktoś dzwonił.

Tom heeft gelijk.

Tom ma rację.

Wie heeft bijgedragen?

- Kto brał udział?
- Kto dołożył swoją cegiełkę?
- Kto się złożył?

Tom heeft bijgedragen.

Tom przyczynił się.

Wie heeft geluisterd?

Kto słuchał?

Heeft Tom gehuild?

Czy Tom płakał?

Heeft Tom gegeten?

Czy Tom zjadł?

Heeft Tom honger?

Tom jest głodny?

Tom heeft niets.

Tom nic nie ma.

Niemand heeft honger.

Nikt nie jest głodny.

Tom heeft bekend.

Tom się przyznał.

Heeft u tijd?

- Czy ma pan czas?
- Czy ma pani czas?

Heeft hij gelijk?

Czy on ma rację?

Zij heeft geluk.

Ona ma szczęście.

Heeft u rijst?

Czy ma pan ryż?

Heeft u tatoeages?

Masz jakiś tatuaż?

Hij heeft hoofdpijn.

- On ma bóle głowy.
- Boli go głowa.

Heeft hij kinderen?

Czy on ma dzieci?

Tom heeft geskied.

Tom jeździł na nartach.

Tom heeft hoestbuien.

Tom ma kaszel.

Tom heeft kanker.

Tom ma raka.

Heeft Tom gereageerd?

Czy Tom zareagował?

Tom heeft heimwee.

Tom tęskni za domem.

- Ze heeft enkele boeken.
- Ze heeft een paar boeken.

Ona ma kilka książek.

Piotr heeft zwart haar, maar Lech heeft blond haar.

- Piotr ma ciemne włosy, a Lech - jasne.
- Piotr jest brunetem, a Lech - blondynem.

- Wie heeft je Frans geleerd?
- Wie heeft u Frans geleerd?
- Wie heeft jullie Frans geleerd?

Kto cię nauczył francuskiego?

- Welke kleur heeft de auto die ze voor zichzelf gekocht heeft?
- Welke kleur heeft de auto die ze zelf gekocht heeft?

Jakiego koloru samochód ona sobie kupiła?

Iedereen heeft respect voor je. Iedereen heeft respect voor je.

Wszyscy okazują ci szacunek.

- De kamer heeft twee vensters.
- De kamer heeft twee ramen.

Pokój ma dwa okna.

- Een kat heeft twee oren.
- De kat heeft twee oren.

Kot ma dwoje uszu.

- Wie heeft u dat geleerd?
- Wie heeft je dat geleerd?

Kto cię tego nauczył?

- Tom heeft Maria niet vermoord.
- Tom heeft Maria niet gedood.

Tom nie zabił Mary.

- Wie heeft je dit aangedaan?
- Wie heeft je dat aangedaan?

Kto ci to zrobił?

- De regenboog heeft zeven kleuren.
- Een regenboog heeft zeven kleuren.

Tęcza ma siedem kolorów.

- Mijn zuster heeft een piano.
- Mijn zus heeft een piano.

Moja siostra ma fortepian.

- Het heeft me erg geholpen.
- Het heeft me veel geholpen.

Bardzo mi to pomogło.

- Welke kleur heeft de sinaasappel?
- Welke kleur heeft de appelsien?

Jakiego koloru jest pomarańcza?

Nee. De mensheid heeft...

Nie. Świat potrzebuje

Die heeft het gehouden.

Utrzymał mnie. W porządku.

...heeft ze het gered.

udało się jej.

Ze heeft een baby.

Ma dziecko.

Hij heeft het gehouden.

No i wytrzymało.

Ze heeft iets bijzonders.

Jest w niej coś wyjątkowego.

Ken heeft een gitaar.

Ken ma gitarę.

Ons team heeft verloren.

Nasz zespół przegrał.

Misschien heeft hij gelijk.

Możesz mieć rację.

Kyoto heeft veel universiteiten.

- W Kioto znajdują się liczne uczelnie.
- Kioto ma dużo uniwersytetów.

Wat heeft hij gezegd?

- Co powiedział?
- Co on powiedział?

U heeft helemaal gelijk.

Masz całkiem rację.

Betty heeft hem gedood.

Betty zabiła go.