Translation of "Heeft" in Polish

0.022 sec.

Examples of using "Heeft" in a sentence and their polish translations:

- Tom heeft bekend.
- Tom heeft gebiecht.

Tom wyznał.

God heeft gegeven, God heeft genomen.

Bóg dał, Bóg wziął.

- Heeft Tom gereageerd?
- Heeft Tom geantwoord?

Czy Tom odpowiedział?

- Tom heeft een beugel.
- Tom heeft beugels.

Tom ma szelki.

- Wat heeft Jean gedaan?
- Wat heeft Jean gemaakt?

Co zrobił Jean?

- Hij heeft twaalf zoons.
- Hij heeft twaalf kinderen.

- On ma dwanaścioro dzieci.
- On ma aż dwanaścioro dzieci.

- Wie heeft Tom gedood?
- Wie heeft Tom vermoord?

Kto zabił Toma?

- Zij heeft geen vijanden.
- Ze heeft geen vijanden.

Ona nie ma wrogów.

- Zij heeft twee zusters.
- Ze heeft twee zussen.

Ona ma dwie siostry.

- Misschien heeft Tom gelijk.
- Tom heeft misschien gelijk.

Tom może mieć rację.

- Tom heeft spullen nodig.
- Tom heeft kleding nodig.

Tom potrzebuje ubrań.

- Zij heeft je nodig.
- Zij heeft u nodig.

- Ona cię potrzebuje.
- Ona Cię potrzebuje.

- Heeft u een kredietkaart?
- Heeft u een creditcard?

- Czy ma pan kartę kredytową?
- Czy posiada pani kartę kredytową?
- Czy posiadają państwo kartę kredytową?

- Ze heeft grote borsten.
- Zij heeft grote borsten.

Ona ma duże piersi.

- Heeft Tom een tatoeage?
- Heeft Tom een tattoo?

Czy Tom ma tatuaż?

- Ze heeft weinig vrienden.
- Zij heeft weinig vrienden.

Ona ma mało przyjaciół.

- Japan heeft regelmatig aardbevingen.
- Japan heeft dikwijls aardbevingen.

Japonię nawiedzają częste trzęsienia ziemi.

- Ze heeft groene ogen.
- Hij heeft groene ogen.

Ma zielone oczy.

Heeft u tatoeages?

Masz jakiś tatuaż?

Hij heeft hoofdpijn.

- On ma bóle głowy.
- Boli go głowa.

Wat heeft ze?

Co ona ma?

Tom heeft artritis.

Tom ma artretyzm.

Heeft u lucifers?

Czy ma pan zapałki?

Niemand heeft gefaald.

Nikt nie zawiódł.

Ze heeft ongelijk.

Ona nie ma powodu.

Iedereen heeft gebreken.

Każdy popełnia błędy.

Heeft Tom gebeld?

Czy Tom dzwonił?

Tom heeft verloren.

Tom przegrał.

Tom heeft geluk.

Tom ma szczęście.

Niemand heeft gelogen.

Nikt nie kłamał.

Tom heeft gefaald.

Tom zawiódł.

Iedereen heeft betaald.

Wszyscy zapłacili.

Niemand heeft gebeld.

Nikt nie dzwonił.

Heeft Tom gehuild?

Czy Tom płakał?

Heeft Tom gegeten?

Czy Tom zjadł?

Wie heeft geluisterd?

Kto słuchał?

Wie heeft bijgedragen?

- Kto brał udział?
- Kto dołożył swoją cegiełkę?
- Kto się złożył?

Tom heeft bijgedragen.

Tom przyczynił się.

Heeft Tom honger?

Tom jest głodny?

Tom heeft niets.

Tom nic nie ma.

Tom heeft kippen.

Tom ma kurczaki.

Ze heeft kinderen.

Ona ma dzieci.

Niemand heeft honger.

Nikt nie jest głodny.

Tom heeft voetschimmel.

Tom ma grzybicę stóp.

U heeft gewonnen!

- Wygraliście!
- Wygrałyście!

Iemand heeft gebeld.

Ktoś dzwonił.

Tom heeft gelijk.

Tom ma rację.

Tom heeft kiespijn.

Toma boli ząb.

Tom heeft bekend.

Tom się przyznał.

Heeft hij gelijk?

Czy on ma rację?

Heeft u rijst?

Czy ma pan ryż?

Heeft u tijd?

- Czy ma pan czas?
- Czy ma pani czas?

Zij heeft geluk.

Ona ma szczęście.

Heeft Bob gelijk?

Czy Bob ma rację?

Heeft hij kinderen?

Czy on ma dzieci?

Tom heeft geskied.

Tom jeździł na nartach.

Tom heeft hoestbuien.

Tom ma kaszel.

Heeft Tom gereageerd?

Czy Tom zareagował?

Tom heeft heimwee.

Tom tęskni za domem.

Tom heeft kanker.

Tom ma raka.

Piotr heeft zwart haar, maar Lech heeft blond haar.

- Piotr ma ciemne włosy, a Lech - jasne.
- Piotr jest brunetem, a Lech - blondynem.

- Ze heeft enkele boeken.
- Ze heeft een paar boeken.

Ona ma kilka książek.

- Wie heeft je Frans geleerd?
- Wie heeft u Frans geleerd?
- Wie heeft jullie Frans geleerd?

Kto cię nauczył francuskiego?

- Welke kleur heeft de auto die ze voor zichzelf gekocht heeft?
- Welke kleur heeft de auto die ze zelf gekocht heeft?

Jakiego koloru samochód ona sobie kupiła?

Iedereen heeft respect voor je. Iedereen heeft respect voor je.

Wszyscy okazują ci szacunek.

- Wie heeft u dat geleerd?
- Wie heeft je dat geleerd?

Kto cię tego nauczył?

- Een kat heeft twee oren.
- De kat heeft twee oren.

Kot ma dwoje uszu.

- Wie heeft je dit aangedaan?
- Wie heeft je dat aangedaan?

Kto ci to zrobił?

- Tom heeft Maria niet vermoord.
- Tom heeft Maria niet gedood.

Tom nie zabił Mary.

- De regenboog heeft zeven kleuren.
- Een regenboog heeft zeven kleuren.

Tęcza ma siedem kolorów.

- De kamer heeft twee vensters.
- De kamer heeft twee ramen.

Pokój ma dwa okna.

- Mijn zuster heeft een piano.
- Mijn zus heeft een piano.

Moja siostra ma fortepian.

- Het heeft me erg geholpen.
- Het heeft me veel geholpen.

Bardzo mi to pomogło.

- Welke kleur heeft de sinaasappel?
- Welke kleur heeft de appelsien?

Jakiego koloru jest pomarańcza?

Die heeft het gehouden.

Utrzymał mnie. W porządku.

Ze heeft iets bijzonders.

Jest w niej coś wyjątkowego.

Hij heeft het gehouden.

No i wytrzymało.

...heeft ze het gered.

udało się jej.

Nee. De mensheid heeft...

Nie. Świat potrzebuje

Ze heeft een baby.

Ma dziecko.

Hij heeft een baard.

On ma brodę.

Hij heeft een video.

On ma video.

Hij heeft zich opgehangen.

Powiesił się.

Het heeft me gered.

To mnie uratowało.

Wie heeft dit gebroken?

Kto to złamał?

Niemand heeft me geholpen.

Nikt mi nie pomógł.

Wie heeft karaoke uitgevonden?

Kto wynalazł karaoke?