Translation of "Hij" in Arabic

0.011 sec.

Examples of using "Hij" in a sentence and their arabic translations:

Hij weifelde voordat hij antwoordde.

لقد تردد قبل الإجابة.

- Hij dook.
- Hij is gedoken.

غطس.

- Hij is zelf gekomen.
- Hij kwam zelf.
- Hij kwam persoonlijk.

لقد أتى بنفسه

- Hij kan komen.
- Hij mag komen.

بإمكانه المجيء

- Hij is homo.
- Hij is gay.

هو مثليّ.

- Hij is vriendelijk.
- Hij is aardig.

إنه لطيف.

- Waar is hij?
- Waar zit hij?

أين هو؟

- Hij moet sterven.
- Hij moet dood.

- يجب ان يموت
- يتوجب عليه الموت
- لا بد من ان يموت
- يجب ان يُصرع

hij zegt:

لقد قال:

Hij rende.

ركض.

Hij kwam.

لقد أتى.

Hij rent.

هو يجري

Hij rookte.

كان يدخّن.

- Hij heeft hard gewerkt.
- Hij werkte hard.

عمل بجد.

- Hij is rijk geworden.
- Hij werd rijk.

هو صار غني .

- Hij is aan het eten.
- Hij eet.

إنه يأكل.

- Hij zei ja.
- Hij heeft ja gezegd.

قال نعم.

Hoewel hij arm was, was hij gelukkig.

بالرغم من فقره إلا أنه تغمره السعادة.

- Is hij een leerkracht?
- Is hij leraar?

هل هو معلم؟

Hij deed alsof hij een dokter was.

تظاهر بأنه طبيب.

- Hij sloeg haar.
- Hij heeft haar geslagen.

صفعها

Hij hoopte niet op redding, hij wist dat hij geen hoop had.

لم يكن يأمل في الإنقاذ ، كان يعلم أنه ليس لديه أي أمل.

Hij maakt het goed. Hij kan me ruiken.

‫لا خوف منه.‬ ‫يمكنه أن يشم رائحتي.‬

- Hij is niet gek.
- Hij is niet dom.

ليس غبياً.

- Hij houdt van sinaasappels.
- Hij houdt van appelsienen.

يحب البرتقال.

Toen hij het nieuws hoorde, werd hij bleek.

عندما سَمِعَ الأخبار, تحولَ شاحباً.

Hij is rijk maar hij is niet gelukkig.

إنه غني إلا أنه ليس سعيداً.

- Hij speelt zeer goed.
- Hij speelt erg goed.

يلعب بمهارة.

- Hij was erg blij.
- Hij was erg gelukkig.

كان سعيدا جدا.

- Hij rijdt heel snel.
- Hij rijdt heel vlug.

إنه يقود بسرعة عالية.

Omdat hij ziek is, kan hij niet komen.

- لن يكون بوسعه القدوم بسبب مرضه.
- لن يستطيع المجيء لأنه مريض.

- Hij is mijn buur.
- Hij is mijn buurman.

هو جاري.

Hij zegt: "Natuurlijk".

فقال "بالتأكيد".

Hij werd woedend.

فاستشاط غضبًا.

Daar is hij.

‫ها هو رجلنا.‬

Hij is weggezwommen.

‫كلا، انظر. سبحت مبتعدة.‬

Hij stinkt behoorlijk.

‫إنها متعفنة!‬

Waar is hij?

‫أين هي؟‬

Daar gaat hij.

‫حسناً، ها هي.‬

Hij kreeg applaus.

حصل على تصفيق حار.

Hij moet oppassen.

‫يجب أن يكون أكثر حذرًا.‬

Hij moet handelen.

‫عليه التصرّف.‬

Hij is koudbloedig.

‫إنه بارد الدماء.‬

Hier is hij.

‫انظر، ها هي.‬

Hij schreeuwt veel.

إنه يصرخ كثيراً.

Hij spreekt snel.

يتكلم بسرعة.

Eindelijk verscheen hij.

و أخيراً ظهر.

Hij wilde slagen.

أراد أن ينجح.

Hij leest veel.

هو قارئ نهم.

Is hij Amerikaans?

أهو أمريكي؟

Hij spreekt Engels.

إنه يتكلم الإنجليزية.

Hij leert snel.

- يتعلم بسرعة.
- هو سريع التعلم.

Is hij Japans?

هل هو ياباني؟

Wie is hij?

من هو؟

Hij werd kwaad.

غضب.

Hij is gelukkig.

هو سعيد

Hij rookt niet.

- إنه ليس مدخنا.
- هو لا يدخن.

Hij is tennisspeler.

إنه لاعب تنس.

Hij is ziek.

- إنه مريض.
- هو مريض

Hij is historicus.

هو مؤرخ.

Waar woont hij?

أين تسكن؟

Hij spreekt Portugees.

هو يتكلّم البرتغاليّة.

Hij speelt piano.

هو يلعب على البيانو.

Hij wil vlees.

يريد لحما.

Hij schopt me!

- إنه يركلني!
- إنه يركلني!!

Hij komt snel.

سيأتي قريباً.

Hij onderwijst Arabisch.

- يعلّم اللغة العربية.
- هو يعلم العربيه

Hij verkoopt auto's.

- يبيع سيارات.
- إنه يبيع السيارات.

Hij spreekt Arabisch.

هو يتحدث العربيه.

Hij schrijft Arabisch.

هو يكتب العربيه.

Hij is slim.

- هو ذكي.
- إنه ذكي.

Hij kwam aangerend.

أتى يركض.

Hij is Fransman.

- إنه فرنسي.
- إنه من فرنسا.
- هو فرنسي

Hij is alleen.

- إنه وحيد.
- إنه وحده.

Hij is sterk.

إنه قوي.

Komt hij morgen?

- هل سيصل غدا؟
- هل سيأتي غداً؟

Hij werd pianist.

أصبح عازف بيانو.

Hij was dapper.

كان شجاعاً.