Translation of "Dit" in Spanish

0.018 sec.

Examples of using "Dit" in a sentence and their spanish translations:

- Gebruik dit.
- Gebruik dit!

Usa esto.

- Dit is voldoende.
- Dit is genoeg.
- Dit volstaat.

- Esto valdrá.
- Con éste vale.
- Esto me basta.

- Wil je dit?
- Wilt u dit?
- Willen jullie dit?

¿Quieres esto?

- Zie je dit?
- Zien jullie dit?
- Ziet u dit?

¿Has visto esto?

Dit betekent voedsel. Dit betekent energie.

Esto significa comida. Significa energía.

Dit is anders. Dit is interessant.

Era algo diferente. Era interesante.

- Kopieer dit alstublieft.
- Kopieer dit alsjeblieft.

- Por favor, copia esto.
- Por favor, copiad esto.
- Por favor, copie esto.
- Por favor, copiá esto.
- Por favor, copien esto.

- Hoeveel is dit?
- Hoeveel kost dit?

¿Cuánto es esto?

- Dit is eten.
- Dit is voedsel.

- Esto es comida.
- Es comida.

- Is dit leuk?
- Is dit mooi?

¿Es esto bueno?

- Waarvoor dient dit?
- Waartoe dient dit?

¿Para qué sirve?

- Is dit nep?
- Is dit vals?

¿Es esto falso?

- Dit is ondraaglijk.
- Dit is ontoelaatbaar.

Esto es intolerable.

- Dit is moeilijk.
- Dit is hard.

Esto es difícil.

- Dit is makkelijk.
- Dit is eenvoudig.

- Esto es fácil.
- Esto es sencillo.

- Dit is bijzonder.
- Dit is speciaal.

Esto es especial.

Dit jaar...

Este año,

Probeer dit.

- Prueben esto.
- Pruebe esto.
- Probá esto.
- Prueba esto.

Gebruik dit!

Usa esto.

Voel dit.

- Tienta esto.
- Tiente esto.
- Tienten esto.
- Tentad esto.
- Tentá esto.

Dit functioneert.

- Esto funciona.
- Esto trabaja.

Onderteken dit.

- Firma esto.
- Firme esto.
- Firmen esto.
- Firmá esto.
- Firmad esto.

Hou dit.

- Guarda esto.
- Guarde esto.
- Guardá esto.
- Guardad esto.
- Guarden esto.

Check dit.

Comprueba esto.

Draag dit.

Lleva esto.

Pak dit.

Agarra esto.

Past dit?

- ¿Esto viene bien?
- ¿Esta viene bien?
- ¿Este viene bien?

Repareer dit.

Arregla esto.

Lees dit.

- Lee esto.
- Lea esto.
- Lean esto.
- Leed esto.

Ruik dit.

- Huele esto.
- Olé esto.
- Huelan esto.
- Oled esto.
- Huela esto.

Dit ontbrak.

Esto faltaba.

Dit zuigt.

Esto es una mierda.

Onthoud dit!

¡Recuerda esto!

- Dit is uw sleutel.
- Dit is jouw sleutel.
- Dit is jullie sleutel.
- Dit is je sleutel.

- Ésta es tu llave.
- Esta es vuestra llave.

- Ga jij dit gebruiken?
- Ga je dit gebruiken?
- Gaat u dit gebruiken?
- Gaan jullie dit gebruiken?

- ¿Vas a usar esto?
- ¿Usarás esto?
- ¿Usará usted esto?

- Waarom is dit gebeurd?
- Waarom gebeurde dit?

- ¿Por qué ha pasado esto?
- ¿Por qué ha ocurrido esto?

- Hoe noem je dit?
- Hoe heet dit?

¿Cómo le llamas a esto?

- Ik vind dit ergerlijk.
- Dit ergert me.

- Eso me hace enfadar.
- Eso me irrita.

- Waarvoor dient dit?
- Waarvoor wordt dit gebruikt?

¿Para qué se usa esto?

- Wanneer gebeurde dit?
- Wanneer is dit gebeurd?

¿Cuándo ocurrió eso?

- Waarom doe je dit?
- Waarom doet u dit?
- Waarom doen jullie dit?

- ¿Por qué haces eso?
- ¿Por qué están haciendo esto?
- ¿Por qué está haciendo esto?
- ¿Por qué haces esto?
- ¿Por qué estás haciendo esto?
- ¿Por qué lo haces?

- Is dit jouw wijn?
- Is dit uw wijn?
- Is dit jullie wijn?

¿Este es tu vino?

- Dit is uw wijn.
- Dit is jouw wijn.
- Dit is jullie wijn.

Este es tu vino.

- Je hebt dit nodig.
- U heeft dit nodig.
- Jullie hebben dit nodig.

- Lo necesita.
- Necesitas esto.

- Dit is jouw slaapkamer.
- Dit is uw slaapkamer.
- Dit is jullie slaapkamer.

Esta es tu habitación.

- Dit is haar hond.
- Dit is zijn hond.
- Dit is uw hond.

- Éste es tu perro.
- Este es su perro.

- Dit boek is nagelnieuw.
- Dit boek is splinternieuw.
- Dit boek is gloednieuw.

Este libro es muy nuevo.

- Ken je dit liedje?
- Kent u dit liedje?
- Kennen jullie dit liedje?

¿Conoces esta canción?

- Dit was zeer moeilijk.
- Dit was heel moeilijk.
- Dit was erg moeilijk.

Era muy difícil.

- Ga jij dit gebruiken?
- Ga je dit gebruiken?
- Gaan jullie dit gebruiken?

- ¿Vas a usar esto?
- ¿Usarás esto?
- ¿Usará usted esto?

- Zijn dit jouw ski's?
- Zijn dit uw ski's?
- Zijn dit jullie ski's?

- ¿Estos son tus esquíes?
- ¿Son estos tus esquíes?

- Is dit uw familie?
- Is dit jouw familie?

- ¿Es ésta tu familia?
- ¿Esta es tu familia?

- Dit zijn tranen van blijdschap.
- Dit zijn vreugdetranen.

Son lágrimas de alegría.

- Is dit jouw woordenboek?
- Is dit uw woordenboek?

¿Es este tu diccionario?

- Dit is een vergissing.
- Dit is een fout.

Es un error.

- Is dit een bloem?
- Dit is een bloem?

- ¿Es esta una flor?
- ¿Esto es una flor?

- Dit is je bestemming.
- Dit is je lot.

Este es tu destino.

- Dit is gewoon water.
- Dit is maar water.

Esto es solo agua.

- Hoeveel kost dit uurwerk?
- Hoeveel kost dit horloge?

- ¿Cuánto cuesta este reloj?
- ¿Cuál es el precio de este reloj?
- ¿Cuánto vale este reloj?

- Is dit jouw fiets?
- Is dit uw fiets?

¿Esta es tu bicicleta?

- Dit bier smaakt bitter.
- Dit bier is bitter.

Esta cerveza es amarga.

- Dit is jouw sleutel.
- Dit is je sleutel.

Ésta es tu llave.

- Dit weten we.
- Dit is wat we weten.

Esto es lo que sabemos.

- Heeft dit echt plaatsgenomen?
- Is dit echt gebeurd?

¿Realmente pasó todo esto?

- Dit huis staat leeg.
- Dit huis is beschikbaar.

Esta casa está vacía.

- Dit is van haar.
- Dit is de hare.

- Esto es suyo.
- Esto es de ella.

- Kan ik dit houden?
- Mag ik dit houden?

¿Puedo quedarme con esto?

- Is dit jouw boek?
- Is dit uw boek?

¿Es éste tu libro?

- Is dit jouw paraplu?
- Is dit jullie paraplu?

¿Es éste tu paraguas?

- Dit boek is nagelnieuw.
- Dit boek is splinternieuw.

Este libro es muy nuevo.

- Verwijder alstublieft dit bestand.
- Verwijder alsjeblieft dit bestand.

- Por favor, borre este archivo.
- Por favor, borra este archivo.

- Dit is mijn neef.
- Dit is mijn nicht.

- Este es mi primo.
- Esta es mi prima.

- Dit gesprek wordt geregistreerd.
- Dit gesprek wordt opgenomen.

Esta conversación está siendo grabada.

- Dit is een tv.
- Dit is een televisie.

Esto es una televisión.

Fax dit naar dit nummer in Tokio alstublieft.

Mande esto por fax a este número en Tokio, por favor.

- Dit is een paard.
- Dit is een ros.

Este es un caballo.

- Dit verandert de zaken.
- Dit geeft een ommekeer.

Esto cambia las cosas.

- Kunt u dit zien?
- Kun je dit zien?

- ¿Puede ver esto?
- ¿Puedes ver esto?

- Check dit.
- Kijk hier eens naar.
- Controleer dit.

- Examina esto.
- Examine esto.
- Examiná esto.
- Examinad esto.
- Examinen esto.

- Ga jij dit gebruiken?
- Gebruik je het?
- Ga je dit gebruiken?
- Gaat u dit gebruiken?
- Gaan jullie dit gebruiken?

- ¿Vas a usar esto?
- ¿Usarás esto?
- ¿Usará usted esto?

Dit Huston-plan ...

Así surgió el "Plan Huston",

dit even terzijde.

una pequeña cadena lateral.

Dit is serieus.

Esto es grave.

Dit is scherp.

Esto es filoso.

Dit wordt moeilijk.

Esto será difícil.

En dit erin.

Y, luego, aquí.

Dit gaat daarop.

Esto va allí.

Dit is ongelooflijk.

Esto es increíble.