Translation of "Zijn" in Finnish

0.023 sec.

Examples of using "Zijn" in a sentence and their finnish translations:

Zijn schoenen zijn bruin.

Hänen kenkänsä ovat ruskeat.

Zijn ogen zijn blauw.

Hänen silmänsä ovat siniset.

Zijn sokken zijn paars.

Hänen sukkansa ovat violetit.

Zijn sokken zijn grijs.

Hänen sukkansa ovat harmaat.

Zijn benen zijn lang.

Hänen jalkansa ovat pitkät.

Zijn antennes zijn zo gevoelig...

Sen tuntosarvet ovat niin herkät,

Zijn beide grootvaders zijn dood.

Hänen molemmat isoisänsä ovat kuolleet.

- Het zijn spionnen.
- Ze zijn spionnen.
- Zij zijn spionnen.

He ovat vakoojia.

- Toms ogen zijn blauw.
- Tom zijn ogen zijn blauw.

- Tomilla on siniset silmät.
- Tomin silmät ovat siniset.

Dat moet zijn grootste zorg zijn.

Se on hänen suurin huolensa.

- Zij zijn dokters.
- Zij zijn artsen.

He ovat lääkäreitä.

- Zij zijn zangers.
- Zij zijn zangeressen.

He ovat laulajia.

- We zijn verloren.
- We zijn verdwaald.

Olemme eksyksissä.

- Waar zijn we?
- Waar zijn wij?

Missä me olemme?

- Wij zijn vriendinnen.
- Wij zijn vrienden.

- Olemme ystäviä.
- Me olemme ystäviä.
- Me olemme kavereita.
- Olemme kavereita.

- Ze zijn kinderen.
- Zij zijn kinderen.

He ovat kakaroita.

- Ze zijn bang.
- Zij zijn bang.

Heitä pelottaa.

- We zijn mannen.
- Wij zijn mannen.

Me olemme miehiä.

- Het zijn broers.
- Zij zijn broers.

He ovat veljeksiä.

- Ze zijn vegetariërs.
- Zij zijn vegetariërs.

He ovat kasvissyöjiä.

- Het zijn broers.
- Zij zijn zusters.

He ovat sisaruksia.

- Ze zijn veilig.
- Zij zijn veilig.

He ovat turvassa.

- We zijn avontuurlijk.
- Wij zijn avontuurlijk.

Olemme seikkailunhaluisia.

- Wij zijn rijk.
- We zijn rijk.

- Me olemme rikkaita.
- Me olemme varakkaita.

...zijn ontvangen.

on kuultu.

Zijn overblijfselen.

Hänen ruumiinsa siis.

- Waar zijn je spullen?
- Waar zijn jouw spullen?
- Waar zijn uw spullen?
- Waar zijn jullie spullen?

Missä sinun tavarasi ovat?

- Ze zijn net vertrokken.
- Zij zijn net vertrokken.
- Ze zijn net weggegaan.
- Zij zijn net weggegaan.

He lähtivät juuri.

Hij promoot zijn kracht met zijn geur.

Se mainostaa voimaansa hajullaan.

Maar zijn problemen zijn pas net begonnen.

Mutta sen ongelmat ovat vasta alkaneet.

Zijn jullie voor of tegen zijn idee?

Oletko hänen ideansa puolesta vai vastaan?

Tom deed zijn telefoon in zijn zak.

Tom pani puhelimensa taskuunsa.

Vleermuizen zijn geen vogels, het zijn zoogdieren.

Lepakot eivät ole lintuja. Ne ovat nisäkkäitä.

- Te zijn of niet te zijn, dat is de kwestie.
- Zijn of niet zijn, daar gaat het om.
- Zijn of niet zijn, dat is de vraag.

Ollako vai eikö olla, siinä pulma.

- Waar zijn uw kinderen?
- Waar zijn jullie kinderen?
- Waar zijn je kinderen?

Missä lapsesi ovat?

- Je moet voorzichtig zijn.
- U moet voorzichtig zijn.
- Jullie moeten voorzichtig zijn.

Sinun täytyy olla varovainen.

- Dinosaurussen zijn nu uitgestorven.
- Dinosauriërs zijn nu uitgestorven.

Dinosaurukset ovat nyt kuolleet sukupuuttoon.

- Je lippen zijn rood.
- Jouw lippen zijn rood.

Huulesi ovat punaiset.

- Je moet voorzichtig zijn.
- U moet voorzichtig zijn.

Sinun täytyy olla varovainen.

- We zijn niet getrouwd.
- Wij zijn niet getrouwd.

Emme ole naimisissa.

- Je moet behoedzaam zijn.
- Je moet voorzichtig zijn.

Sinun täytyy olla varovainen.

IJsberen zijn wit omdat ze oude beren zijn.

Jääkarhut ovat valkoisia, koska ne ovat vanhoja karhuja.

- Wij zijn neven en nichten.
- Wij zijn neven.

Olemme serkuksia.

- Het gaat bewolkt zijn.
- Het zal bewolkt zijn.

Tulee pilvistä.

- Duitsers zijn zeer sluw.
- Duitsers zijn zeer gewiekst.

Saksalaiset ovat hyvin ovelia.

- Zijn vader is Japans.
- Zijn vader is Japanner.

Hänen isänsä on japanilainen.

Er zijn mensen die bang zijn voor spinnen.

On ihmisiä jotka pelkäävät hämähäkkejä.

- Ze zijn niet dom.
- Ze zijn niet gek.

He eivät ole tyhmiä.

- Tom kuste zijn neef.
- Tom kuste zijn nicht.

Tomi pussasi serkkuansa.

- Daarom zijn we hier.
- Daarom zijn wij hier.

Sen takia me olemme täällä.

Dit zijn mijn boeken, die zijn van hem.

Nämä ovat minun kirjani, nuo ovat hänen.

- Alles op zijn tijd.
- Alles heeft zijn tijd.

Aika aikaa kutakin.

Zijn hartje stopt.

Sen sydän lakkaa lyömästä.

Ze zijn herenigd.

Kaikki koossa jälleen.

Robben zijn flexibeler.

Merikarhut ovat ketterämpiä.

Bloemen zijn hard.

Kukat ovat kovia.

Chrysanten zijn duur.

Krysanteemit ovat kalliita.

zijn serene zelfverzekerdheid.

huokuivat tyyntä itsevarmuutta.

Zij zijn leraren.

He ovat opettajia.

Zij zijn gelukkig.

He ovat onnellisia.

Het zijn worstelaars.

He ovat painijoita.

Zijn bloed kookt.

Hänen verensä kiehuu.

Zijn jullie Chinees?

Oletteko te kiinalaisia?

Mannen zijn varkens.

Miehet ovat sikoja.

Ze zijn piloten.

He ovat lentäjiä.

Mensen zijn uitvinders.

Yksilöt keksivät.

Paarden zijn dieren.

Hevoset ovat eläimiä.

Egels zijn schattig.

Siilit ovat söpöjä.

We zijn zielsverwanten.

Olemme sielunveljiä.

We zijn gedoemd.

Me olemme tuhon omia.

Wij zijn dokters.

- Me olemme lääkäreitä.
- Me olemme tohtoreita.

We zijn thuis.

Olemme kotona.

Taalscholen zijn dom.

- Kielikoulut ovat surkeita.
- Kielikoulut ovat syvältä.

Zijn zij Amerikaans?

Ovatko he amerikkalaisia?

Hier zijn draken.

Täällä on lohikäärmeitä.

We zijn leraren.

Olemme opettajia.

Bananen zijn heerlijk.

Banaanit ovat herkullisia.

Schorpioenen zijn gevaarlijk.

Skorpionit ovat vaarallisia.

Zijn we vrienden?

Olemmeko me ystäviä?

We zijn verloofd.

Olemme kihloissa.

Waar zijn ze?

Missä he ovat?

Koala's zijn schattig.

- Koalat ovat söpöjä.
- Koalakarhut ovat sööttejä.

Uilen zijn schattig.

Pöllöt ovat söpöjä.

Uilen zijn wijs.

Pöllöt ovat viisaita.

We zijn voorzichtig.

Me olemme varovaisia.