Translation of "Profesor" in Dutch

0.022 sec.

Examples of using "Profesor" in a sentence and their dutch translations:

- Tú eres un profesor.
- Eres profesor.
- Sos profesor.

Jij bent professor.

¿Eres profesor?

- Ben je leerkracht?
- Ben je leraar?

Yo soy profesor.

Ik ben professor.

Él es profesor.

Hij is leraar.

Seré tu profesor.

Ik zal jouw leraar zijn.

- Yo soy profesor de japonés.
- Soy profesor de japonés.

Ik ben leraar Japans.

- Sueño con hacerme profesor.
- Sueño con convertirme en profesor.

Ik droom ervan een leraar te worden.

- ¡Eres un profesor maravilloso!
- ¡Es usted un profesor extraordinario!

Je bent een fantastische leraar!

- No soy médico, soy profesor.
- No soy médico, sino profesor.

- Ik ben geen dokter, maar leraar.
- Ik ben geen dokter, maar een leraar.

- ¿Qué opinas del nuevo profesor?
- ¿Qué piensas del nuevo profesor?

Wat denkt ge van de nieuwe leraar?

Él decidió ser profesor.

Hij besliste leraar te worden.

Google es mi profesor.

Google is mijn leraar.

Tú eres un profesor.

Je bent een leraar.

Mi hermano es profesor.

- Mijn broer is professor.
- Mijn broer is een professor.

Soy profesor de japonés.

Ik ben leraar Japans.

Él es mi profesor.

Hij is mijn leraar.

¿Su padre es profesor?

Is zijn vader leraar?

Nuestro profesor lucía sorprendido.

Onze leraar leek verrast te zijn.

Es un profesor experimentado.

Hij is een ervaren lesgever.

- ¿Eres profesor?
- ¿Eres profesora?

- Ben je lerares?
- Ben je leerkracht?

¿Quién es tu profesor?

Wie is jouw leraar?

Es profesor de inglés.

Hij is leraar Engels.

Yo también soy profesor.

- Ik ben ook leraar.
- Ook ik ben leraar.

- Él vino a Berlín como profesor.
- Vino a Berlín de profesor.

- HIj kwam als leraar naar Berlijn.
- Hij kwam naar Berlijn als een leraar.

Mi profesor, que se llama

Dit zegt mijn leraar altijd

Él se burló del profesor.

- Hij maakte grapjes over zijn leraar.
- Hij spotte met zijn leraar.

El profesor entregó los exámenes.

De leraar deelde de testen uit.

El profesor nos mandó deberes.

De leraar gaf ons huiswerk.

¿Puedo hablar con el profesor?

Kan ik de professor spreken?

- Yo soy profesor.
- Soy profesora.

Ik ben professor.

Nuestro profesor parece muy joven.

Onze leraar ziet er heel jong uit.

¿Cuál es tu profesor favorito?

- Wie is jouw lievelingsleraar?
- Wie is jouw favoriete leraar?

Él es profesor de italiano.

Hij is een leraar Italiaans.

Él es un profesor experimentado.

- Hij is een ervaren lesgever.
- Hij is een ervaren leraar.

- Yo soy profesor.
- Soy maestro.

Ik ben leraar.

Soy profesor, no soy estudiante.

Ik ben een leraar, geen student.

El profesor se enfadó conmigo.

De leraar was razend op mij.

Sueño con convertirme en profesor.

Ik droom ervan een leraar te worden.

Vino a Berlín de profesor.

Hij kwam naar Berlijn als een leraar.

Mi hermano mayor es profesor.

Mijn oudste broer is leraar.

No soy médico, soy profesor.

Ik ben geen dokter, maar een leraar.

Él será un buen profesor.

Hij wordt een goede leraar.

Tom será un buen profesor.

Tom zal een goede leraar zijn.

Tom es profesor de francés.

Tom is een leraar Frans.

Sé que tú eres profesor.

Ik weet dat je een leerkracht bent.

Mi sueño es ser profesor.

Mijn droom is om leraar te worden.

¡Es usted un profesor extraordinario!

U bent een fantastische leraar!

- Soy profesor de matemáticas de escuela secundaria.
- Soy profesor de matemáticas en un instituto.

Ik ben een wiskundeleraar op de middelbare school.

- Él es profesor de inglés.
- Él es maestro de inglés.
- Es profesor de inglés.

Hij is leraar Engels.

Nuestro profesor vive por acá cerca.

- Onze leraar woont vlakbij.
- Onze leraar woont in de buurt.

Hasta un profesor puede cometer errores.

Ook een leraar maakt al eens een fout.

Tom es el profesor de Mary.

- Tom is de leraar van Maria.
- Tom is Maria's leraar.

Escuchen lo que dice el profesor.

Luister naar wat de leraar zegt.

El profesor está hablando por teléfono.

- De professor is aan het telefoneren.
- De leraar is aan het telefoneren.

¿Es usted aquí profesor o alumno?

Ben je een leerkracht of een leerling hier?

Él se inclinó ante su profesor.

Hij boog voor zijn leerkracht.

El profesor realizó muchos experimentos científicos.

De leraar demonstreerde veel natuurkundige experimenten.

- No soy profesor.
- No soy profesora.

Ik ben geen leraar.

John Dalton era un profesor inglés.

John Dalton was een leraar Engels.

Él es nuestro profesor de inglés.

Hij is onze leraar Engels.